Antidiscriminatie-interventies: hoe een intersectionele aanpak werkt

Ongelijkheid kent verschillende vormen, die elkaar kunnen versterken en in elkaar haken. KIS onderzocht hoe antidiscriminatie-interventies beter kunnen aansluiten op deze complexe werkelijkheid. In dit artikel lees je waarom een intersectionele benadering belangrijk is. En je krijgt praktische tips om interventies intersectioneler te maken.

Online publicatie
Discriminatie

Methode

Voor dit artikel hebben we in totaal negen observaties uitgevoerd bij vier verschillende antidiscriminatie-interventies uit de KIS-database. Deze interventies verschilden in:

  • duur - van drie tot zeven uur;
  • aantal deelnemers - van vier tot vijftig deelnemers;
  • vorm - van gesprekken tussen onbekenden tot een guided intervention.

Minimaal twee onafhankelijke onderzoekers voerden de observaties uit, met uitzondering van twee observaties. In de meeste gevallen namen we een fly on the wall-positie in. Dat betekent dat we observeerden zonder mee te doen aan de interventie, om de dynamiek zo min mogelijk te beïnvloeden. Bij één observatie deed één van de onderzoekers zelf mee aan de training als deelnemer, terwijl de andere onderzoekers observeerden. Dit leverde waardevolle inzichten op in de opzet en uitvoering van de interventie.

Onze focus lag nadrukkelijk niet op gedrag of uitspraken van deelnemers. Het ging om de vorm en inhoud van de interventie en hoe trainers en/of begeleiders handelden. Deelnemers zijn vooraf ook over deze onderzoeksfocus geïnformeerd. We kunnen echter niet met zekerheid zeggen in hoeverre onze aanwezigheid hun gedrag of dat van de begeleiders heeft beïnvloed. Tijdens de pauzes bespraken we onze indrukken bewust niet met elkaar. Daarmee wilden we zoveel mogelijk wederzijdse beïnvloeding voorkomen. Pas na afloop van de interventies vergeleken we onze observaties.

Tijdens het observeren letten we op een aantal punten:

  • In hoeverre worden verschillende vormen van discriminatie benoemd en meervoudige vormen van discriminatie zichtbaar gemaakt?
  • Wordt intersectionaliteit expliciet genoemd of impliciet toegepast?
  • Is er sprake van het bevragen van stereotypen en het stimuleren van perspectiefwisseling?
  • Wordt er gereflecteerd op eigen aannames en beeldvorming?
  • Hoe wordt er in de interventie/training omgegaan met gevoelens van schuld, ongemak en/of weerstand?
  • Hoe is het taalgebruik van trainers en hun reactie op taalgebruik van deelnemers?
  • Wat zijn de randvoorwaarden voor de interventie/training in het kader van toegankelijkheid, sociale veiligheid, groepssamenstelling en praktische voorzieningen?