Nu online en offline leefwerelden steeds minder duidelijk te scheiden zijn, raakt ook de online aanwezigheid van jongeren en jongerenwerkers meer verweven met hun offline contact. Wat zijn aandachtspunten voor jongerenwerkers bij het integreren van online activiteiten in hun dagelijkse praktijk?

In hoeverre en op welke manier verandert het werk van jongerenwerkers door de razendsnelle veranderingen in de online leefwereld van jongeren? En heeft het jongerenwerk in de online samenleving eenzelfde soort rol te spelen als offline? Biedt de toenemende online aanwezigheid van jongeren – én van jongerenwerkers – ook kansen voor de praktijk van het jeugd- en jongerenwerk?

Rond deze en andere vragen voerde KIS, in samenwerking met Hogeschool Inholland en Zumo Media, een drietal ophaalsessies uit met elk zes jongeren en zes jongerenwerkers uit het jeugd- en jongerenwerk in Nijmegen. Resultaat is een verkennende publicatie, die de basis vormt voor een handelingskader voor jongerenwerkers die hun eigen online kennis en kunde willen testen en die online contact met jongeren bewuster willen integreren in hun werk. Aanleiding voor het onderzoek was een vraag vanuit de gemeente Nijmegen en Nijmeegse welzijnsorganisatie Bindkracht 10 over het online contact tussen jongerenwerkers en jongeren, die binnenkwam bij de Portaalcommissie van KIS.

Naar de verkenning

Empowerment, affordance, excess

Vaak wordt aangenomen dat er een strikte scheiding bestaat tussen enerzijds de analoge en professionele werkelijkheid van het jeugd- en jongerenwerk, en anderzijds de online werkelijkheid die meer wordt geassocieerd met vrije tijdsbesteding. Deze strikte scheiding is in werkelijkheid niet houdbaar; er is veel meer overlap en flexibiliteit dan wel eens wordt aangenomen. Zo kunnen sociale media bijdragen aan inclusie van jongeren die offline eerder buiten de boot zouden vallen of helemaal buiten beeld zouden blijven. Ook helpen deze platforms helpen bij het opbouwen van een vertrouwensband of het delen van informatie die jongeren in real life minder snel zouden delen. 

Sociale media hebben dus deels een ‘empowering’ functie. Daarnaast is een belangrijke vraag daarbij: waarvoor zijn bepaalde online mogelijkheden en kanalen wel geschikt, en waar kun je ze beter niet voor gebruiken? Welke online middelen (zoals discussiefora, YouTube, Whatsapp, Instagram) passen bij welke doelen, en op welke wijze kunnen ze ter ondersteuning van offline activiteiten worden gebruikt? Je bewust zijn van deze mogelijkheden wordt affordance genoemd. Tot slot draagt de online aanwezigheid van jongeren (en jongerenwerkers) risico’s in zich, die ook kunnen overlopen naar het dagelijkse offline leven (excess). Denk daarbij aan negatieve gevolgen van sexting, of een conflict dat online begint en zich offline voortzet. De verkenning is geschreven met deze drie hoofdlijnen in het achterhoofd: empowerment, affordance, en excess

De zelfscan

Stap één als je bewuster aan de slag wilt met online werken in het jeugd- en jongerenwerk is een zelfscan. Het is raadzaam om eens in de zoveel tijd te peilen in hoeverre online communicatiemiddelen, zoals verschillende sociale media platforms, al onderdeel zijn van de dagelijkse praktijk van jongerenwerkers. Ook is het van belang om bij de jongeren met wie je contact hebt te checken of je de juiste middelen voor de juiste doelen gebruikt, en of de jongeren zelf het gevoel hebben dat de toevoeging van bepaalde online elementen in het jongerenwerk hen bijvoorbeeld weerbaarder of zelfverzekerder maakt. De jongerenwerkers gaven aan dat de kern van hun werk niet verandert (contact onderhouden, vertrouwensband opbouwen, sociale netwerken van jongeren in kaart brengen), maar dat online mogelijkheden ze soms in die kerntaak kunnen helpen. 'Wat opviel in de sessies is dat de wat oudere jongeren aangeven juist behoefte te hebben aan stimulering van offline activiteiten door het jongerenwerk, ze zijn immers al zo veel online', zegt Gijs van Beek van Zumo Media, als onderzoeksleider betrokken bij deze verkenning.

Jongeren als experts

Op het gebied van online aanwezigheid en communicatie zijn jongeren deskundig. In elk geval weten zij zelf het beste of, hoe en waarom zij bepaalde online kanalen en platforms gebruiken. Respecteer altijd de grenzen, ook online, van de jongeren. Eis geen toegang tot die ene Whatsappchat als de jongeren zich daar niet prettig bij voelen. Tot slot is het van belang je te realiseren dat jongeren al dat online zijn juist ook als overkill kunnen ervaren. Ga er niet vanuit dat alle jongeren zelf altijd maar met sociale media bezig willen zijn. Werk daarom in samenspraak met de jongeren aan (nieuwe) offline activiteiten.

Publieke zichtbaarheid en politisering

Een beetje een open deur, maar daarom niet minder belangrijk; alles wat je online post, kan worden gezien door derden die niets of juist alles met het onderwerp van de post te maken hebben. Bedenk je bijvoorbeeld dat – doordat jongerenwerkers en jongeren beide online zijn en ervaringen delen – het jongerenwerk nog gemakkelijker wordt gepolitiseerd. Deze publieke zichtbaarheid biedt ook mogelijkheden: schrijf als maatschappelijke organisatie een communicatieplan met daarin kaders voor online sociaal werk en geef enkele jongerenwerkers een rol bij de ontwikkeling daarvan. 'Als dat een heldere rol is, stijgt ook het vertrouwen van jongerenwerkers weer om online aanwezig te zijn – dat vertrouwen wordt geschaad bij meer zichtbaarheid zonder handelingskader', stelt Van Beek.

Niet alleen maar leuk

Een online presence kan risico’s met zich meebrengen, zeker voor jongeren in een kwetsbare positie – denk aan problemen als cyberpesten, shame-sexting, grooming, radicalisering, et cetera. Juist doordat online veel zichtbaar is, biedt de online aanwezigheid van jongerenwerkers wellicht kansen om problemen eerder op het spoor te komen. Maar dan moeten dergelijke thema’s al wel (ook offline) bespreekbaar zijn onder jongeren en jongerenwerkers. 

Uit de sessies in Nijmegen komt vooral naar voren dat de jongeren naar jongere jongeren (10-14) verwijzen wat betreft mediawijsheid. Met andere woorden; deze jongeren denken dat ze de risico’s al wel kennen. 'Maar dat geeft juist ook aan dat de wat oudere jongeren wellicht ervaringen hebben die de jongere jongeren kunnen helpen, zeker omdat zij zich vaak kwetsbaar opstellen in het vormgeven van hun (online) identiteit, en dat is risicovol', benadrukt Van Beek. Jongerenwerkers blijken vooral behoefte te hebben aan een bestaand netwerk van veiligheidsexpertise om bij excessen adequaat te kunnen optreden. 

Hoe dan ook is het bespreken van mediawijsheid, en je daar als jongerenwerker kwetsbaar in opstellen, onmisbaar. Van Beek: ‘En jongerenwerkers werken al meer dan ze soms denken online – ze zoeken contact met jongeren via Facebook, delen van alles op Instagram, en voeren vertrouwelijke gesprekken op Whatsapp. Deze verkenning biedt hen daarbij net wat extra houvast.'

 

Anderen bekeken ook

Jouw bijdrage

3 + 8 =
Geef het antwoord op deze rekenoefening. Voorbeeld voor 1+3: voer 4 in.