Vluchtelingenkinderen zijn niet vanzelfsprekend in beeld bij de jeugdgezondheidszorg (JGZ), in tegenstelling tot (de meeste) in Nederland geboren kinderen. En dat terwijl juist vluchtelingenkinderen vaak extra kwetsbaar zijn. KIS deed onderzoek en schreef een verkenning over hoe de positie van deze kinderen kan worden verbeterd.

De kwetsbaarheid van vluchtelingenkinderen heeft vaak te maken met traumatische ervaringen in het verleden, zowel van bij het kind zelf als bij ouders. Alleenstaande minderjarige vluchtelingen (amv’s) zijn in de regel nog kwetsbaarder dan vluchtelingenkinderen met een of meerdere familieleden in Nederland. Juist voor deze kinderen is een goede driehoeksrelatie tussen school, ouders of voogden, en de zorg essentieel, zowel ter preventie van (zwaardere) problematiek als ter ondersteuning bij psychosociale problemen die er al zijn, zoals posttraumatische stress.

Maar in hoeverre is er sprake van zo’n driehoeksrelatie tussen school, ouders of voogden, en zorg? En welke knelpunten en kansen zijn voor het verbeteren van de positie van vluchtelingenkinderen in Nederland? Vier KIS-onderzoekers maakten een start met het beantwoorden van deze vragen. Het resultaat is een verkenning, waarin literatuuronderzoek, een expertmeeting, en interviews met mentoren, zorgcoördinatoren, en directeuren van vier (v)mbo-scholen zijn gecombineerd.

Naar de verkenning

Kwetsbare positie

Dat vluchtelingenkinderen – niet allemaal, maar in het algemeen – kwetsbaarder zijn dan in Nederland geboren kinderen, blijkt zowel uit het literatuuronderzoek van de onderzoekers als uit de expertmeeting, die werd gehouden met experts van onder meer Pharos, de Landelijke Onderwijs Werkgroep voor Asielzoekers en Nieuwkomers (LOWAN) en het Verwey-Jonker Instituut.

Met name psychosociale en mentale problematiek, zoals depressie, suïcidale gedachten, en posttraumatische stress, komen veel voor bij vluchtelingenkinderen. Trauma bij ouders heeft bovendien z’n weerslag op het welbevinden van hun kind. Verzachtende factoren, die de kwetsbaarheid kunnen verminderen, zijn volgens de literatuur vooral een hoger opleidingsniveau, voldoende sociale steun, en betekenisvolle relaties met familie en vrienden. Dit laatste is des te ingewikkelder voor amv’s, die zonder familie zijn en vaak hechtingsproblemen hebben. Bovendien, gaven de experts aan, hebben amv’s vaak veel meer verantwoordelijkheid dan bij hun leeftijd past. Van hen wordt soms zelfs verwacht dat ze in Nederland geld verdienen voor hun familie in het land van herkomst, of om gezinshereniging mogelijk te maken.

In de literatuur werd nauwelijks informatie gevonden over hoe de driehoeksrelatie tussen school, ouders of voogden, en zorg in de praktijk wordt ingevuld, terwijl alle experts wel het belang van goede samenwerking benadrukten.

Knelpunten

Knelpunten die de experts signaleerden zijn onder andere dat leraren van (v)mbo-scholen vaak pas doorverwijzen bij externaliserende problemen, zoals duidelijk zichtbare gedragsproblematiek, maar te weinig oog hebben voor en zicht hebben op internaliserende problemen zoals depressie. Sowieso verschillen scholen enorm in hun rolopvatting – van een bijna puur cognitieve focus op rekenen en taal naar meer aandacht voor het algeheel welbevinden van kinderen. Op het moment dat een kind wel wordt doorverwezen, is dat meestal naar een studentenbegeleider die vaak onvoldoende is toegerust op de combinatie van trauma en migratie. Bij zware problematiek worden kinderen meestal naar de specialistische ggz verwezen, terwijl die voor volwassenen is bedoeld en vaak te weinig cultuursensitief is.

'Op het moment dat een kind wordt doorverwezen, is dat meestal naar een studentenbegeleider die vaak onvoldoende is toegerust op de combinatie van trauma en migratie'

Uit de interviews met de onderwijsprofessionals blijkt dat de knelpunten die zij met de zorg ervaren vooral te maken hebben met structurele problemen als lange wachtlijsten, bureaucratie, en te lange trajecten voordat geschikte zorg wordt geboden. In de relatie met ouders is een knelpunt dat ouders het onderwijssysteem en de geestelijke gezondheidszorg (nog) niet kennen. Met voogden verloopt het contact vaak moeizaam omdat zij meestal een grote caseload hebben, en omdat contact vaak moet worden gelegd via het Centraal Orgaan Opvang Asielzoekers (COA) – wanneer het kind in een asielzoekerscentrum woont. Zo zijn de meest kwetsbare kinderen, de amv’s, ook direct de moeilijkst bereikbare kinderen.

Kansen en aanbevelingen

Hoewel er dus duidelijk veel uitdagingen zijn en de (preventieve) samenwerking tussen school, ouders of voogden, en zorg ingewikkeld blijkt, liggen er ook kansen. De KIS-medewerkers doen in hun verkenning een eerste aanzet tot verbetering met een aantal aanbevelingen. Zo zou het helpen als zorg meer binnen het onderwijs wordt georganiseerd, bijvoorbeeld in de vorm van zorgcoördinatoren op scholen. Mentoren en maatschappelijk werkers kunnen de connectie vormen tussen zorg en onderwijs – in het belang van het kind.

Maar daar is, zo stellen de onderzoekers ook, wel meer geld en tijd voor nodig. En misschien wel het belangrijkst: veel meer onderzoek naar de driehoeksrelatie tussen onderwijs, ouders/voogden, en zorg. Voor de andere aanbevelingen én good practices is het aan te raden om de verkenning in z’n geheel te lezen.

Anderen bekeken ook

Jouw bijdrage

18 + 1 =
Geef het antwoord op deze rekenoefening. Voorbeeld voor 1+3: voer 4 in.