Als je de grijze lucht van Manchester steeds boven je ziet, begrijp je opeens waarom de muziek die er vandaan komt klinkt zoals ze klinkt. Zwaarmoedig, mistroostig, melancholisch: Atmosphere van Joy Division ís Manchester, gevangen in akkoorden. Dat gebrek aan kleur in de lucht wordt gecompenseerd door de stad zelf. Het is één van de meest etnisch diverse steden ter wereld, de underground scene is er levendig, en wanneer United speelt kleurt de stad rood. Ik woonde er van 2013 tot 2016, voor mijn promotieonderzoek. Je leert in drie jaar veel over een stad, over een land, en over de mensen die er wonen. Het meest verwonderde ik me over de Engelse ‘klassenmaatschappij’, en de expliciete manier waarop klasse en sociale ongelijkheid er aanwezig zijn in het publieke debat.

In gesprekken verwijzen mensen regelmatig naar hun eigen afkomst en die van anderen. De identificatie met de eigen groep is sterk, vooral wanneer het de working class betreft. Over een middle class afkomst werd – in ieder geval in mijn omgeving – met minder trots gesproken, waarschijnlijk vanwege de zweem van privilege die eromheen hangt.

Afgelopen november won ik de Joost Zwagerman Essayprijs met Een jas die past, een beschouwing over klasse aan de hand van mijn eigen sociale mobiliteit. In het stuk beschreef ik mijn verbazing over de verschillen tussen de wereld waarin ik opgroeide, een warm arbeidersgezin in Enschede, en de academische kringen waarin ik me nu begeef, waarin – ik geef een paar voorbeelden, maar de lijst is oneindig – klassieke muziek, kunst en vakantiehuizen plotseling normaal zijn. Mijn klasseradar staat altijd aan. Wanneer ik nieuwe mensen ontmoet, deel ik ze onbewust in: waar is ze opgegroeid, wat doen haar ouders, was het vanzelfsprekend dat ze zou gaan studeren? In Engeland leek het alsof iedereen dat deed. Zo speelde het thema zich niet alleen in mijn eigen hoofd af, maar in alle hoofden, en ook nog eens open en bloot. Het gaat erover in vriendschappen en families, op het werk en in de kroeg, in kranten en op tv. Een verademing, vond ik, en Nederland – waarin we vaak geneigd zijn om te doen alsof klasse niet bestaat – had op dit vlak nog aardig wat stappen te zetten.

Portretfoto van Anouk Kootstra, door fotograaf Roos Trommelen.

Aandacht voor klasse is terug

Maar nu lijkt ook hier het tij te keren. De aandacht voor klasse, voor ongelijkheid, voor verschillen in kansen is terug. Het gaat vaker over laaggeletterdheid, armoede, schuldenproblematiek, over verschillen in opleiding, inkomen, gezondheid, en over de samenhang en gevolgen daarvan. Zo uitgesproken en aan de oppervlakte als in Engeland is het hier niet, maar het besef dat klasse ook hier nog steeds – of steeds meer – een bepalende rol speelt, lijkt toe te nemen. Journalisten schrijven artikelen, onderzoeksrapporten genereren aandacht, politici spreken hun zorgen uit. Klassen, de serie van Esther Gould en Sarah Sylbing over kansenongelijkheid op vier scholen in Amsterdam-Noord, werd een hit. In discussies over klasse wordt dan ook vaak naar het onderwijs gewezen: daar begint de ongelijkheid, en daar moeten we het aanpakken.

Economisch kapitaal leidt tot cultureel kapitaal, en cultureel kapitaal tot economisch kapitaal

Dat is niet gek. Volgens de Franse socioloog Pierre Bourdieu bepalen drie vormen van ‘kapitaal’ samen je sociale positie in de maatschappij. Economisch kapitaal, je inkomen en vermogen; cultureel kapitaal, je kennis, kunde en diploma’s; en sociaal kapitaal, je netwerk. Over het algemeen geldt dat de vormen van kapitaal samen opgaan: heb je veel van het één, dan kun je daarmee het ander makkelijker verkrijgen. Zo draagt het hebben van geld, dus economisch kapitaal, bijvoorbeeld bij aan het verkrijgen van een diploma, dus cultureel kapitaal. Voorbeelden daarvan doen zich keer op keer voor. Particulier (en dus duur) onderwijs groeit in Nederland, bleek recentelijk uit onderzoek in opdracht van het ministerie van Onderwijs, Cultuur en Media. Op zulke scholen zijn de klassen vaak kleiner en krijgen leerlingen meer persoonlijke begeleiding, waardoor ze betere resultaten behalen. Datzelfde onderzoek liet ook zien dat tegenwoordig één op de drie middelbare scholieren naar huiswerkbegeleiding, bijles of examentraining gaat. Zulke extra ondersteuning kost geld, maar draagt vervolgens wel bij aan het krijgen van een beter diploma – waarmee de kansen op een hoger salaris weer toenemen. En zo leidt economisch kapitaal tot cultureel kapitaal, en cultureel kapitaal tot economisch kapitaal.

Het belang van een goed schooladvies

Het is precies het beeld dat ook in de serie Klassen naar voren komt: de invloed van de sociaaleconomische positie van ouders op de prestaties van hun kind is enorm. Het havo/vwo advies van de slimme Anyssa komt steeds meer onder druk te staan naarmate ze de zorg voor haar opa en oma op zich neemt, bij wie ze ook in huis woont. Wanneer haar moeder aangeeft dat ze weer bij haar zal komen wonen, leidt dat tot spanning en slapeloze nachten – en steeds slechtere schoolprestaties. Het maakt ons niet uit hoe je het doet op school, zeggen de opa en oma van Anyssa daarover, wij zijn altijd trots op je. Lief, natuurlijk – maar zo anders dan hoe het er in het hoogopgeleide milieu van Viggo aan toe gaat. Bij hem en zijn vrienden zit het besef van het belang van een goed schooladvies er al vroeg in: havo is niet goed genoeg, het moet het vwo worden. Het is een indrukwekkend scene: jongens van een jaar of elf die naast elkaar op een bankje zitten en samen hun voorlopige schooladvies bespreken. Het bepaalt naar welke school je gaat, welk werk je later gaat doen, zeggen ze – het bepaalt de rest van je leven.

Kansenongelijkheid

Zo sluiten de portretten van de kinderen naadloos aan bij de uitkomsten van diverse rapporten over kansenongelijkheid binnen het onderwijs. Een rapport van het Centraal Planbureau dat deze winter verscheen liet bijvoorbeeld zien hoe kinderen van ouders met een lager inkomen of opleidingsniveau al op tweejarige leeftijd een achterstand hebben ten opzichte van hun leeftijdsgenoten uit welvarende milieus. Eenmaal op school kan dat verschil vaak niet meer worden ingehaald. En zelfs als dat wel gebeurt, blijft de ongelijkheid bestaan, zagen onderzoekers van het CBS en de Universiteit van Amsterdam. Zelfs als kinderen dezelfde Cito-score halen, doen ze het uiteindelijk beter wanneer hun ouders hoogopgeleid zijn. De onderzoekers suggereren dat dat komt doordat die ouders actiever lobbyen voor een hoger schooladvies of een plek op een school waarbij een stap naar een hoger niveau mogelijk is, en doordat ze de middelen hebben om hun kind te ondersteunen als het even minder gaat.

Het gaat natuurlijk niet alleen om klasse. Migratieachtergrond en sociaaleconomische status hebben los van elkaar én samen gevolgen voor de schoolprestaties van kinderen. Zoals alle vormen van privilege en marginalisering kunnen ze elkaar versterken. Kinderen van ouders die elders geboren zijn beginnen vaker met een achterstand in taal of rekenen. In een arm gezin zal de ruimte, de middelen of de aandacht voor manieren om die achterstand in te lopen vervolgens vaak beperkter zijn dan in welvarende gezinnen. Dat zagen ook de onderzoekers van het Centraal Planbureau: zij concludeerden dat de sociaaleconomische positie van de ouders nog bepalender is voor het schoolsucces van kinderen dan een eventuele migratieachtergrond. Ook daarvan zagen we iets terug in Klassen, vooral bij Yunuscan, wiens Turkse ouders misschien niet zo goed Nederlands spraken, maar waar de aanmoediging om goed zijn best te doen op school ook zonder woorden duidelijk zichtbaar was.

Belang van afkomst?

Halverwege de serie ging een delegatie uit Amsterdam op werkbezoek bij een andere school. Ze bezochten onze overzeese buren in Engeland – ik keek met bijzondere aandacht. De Londense school hanteerde een strikt regime van discipline en hoge verwachtingen. Op on-Engelse wijze ontkende het schoolbestuur het belang van afkomst: de achtergrond van leerlingen bepaalt niet hun succes, want als je solliciteert, telt alleen je cv. Het lijkt de omgekeerde wereld: een Engelse school waar klasse en afkomst bewust klein gehouden wordt; Amsterdamse onderwijsbestuurders die het belang van gemengde scholen met kinderen uit allerlei milieus blijven benadrukken.

Onderwijsgelijkheid brengt sociale gelijkheid

Ook de Onderwijsraad stuurt aan op minder differentiatie. In april dit jaar adviseerde de raad om het voortgezet onderwijs te starten met een verlengde brugperiode van drie jaar. Pas daarna worden leerlingen verder uitgesplitst naar niveau. Op de radio hoorde ik voor- en tegenstanders erover discussiëren. Enthousiastelingen zagen een gelijker speelveld voor alle kinderen, sceptici hekelden de uitvoerbaarheid van het plan. Ik ben geen expert op de inrichting van ons onderwijsstelsel, maar over klasse heb ik veel geleerd, gelezen en gedacht. Onderwijsgelijkheid brengt sociale gelijkheid. Als kinderen met verschillende achtergronden langer bij elkaar in de klas zitten, zullen zij beter begrijpen dat er flats en villa’s zijn en dat studeren in sommige gezinnen een vanzelfsprekendheid is en in andere de laatste prioriteit. Dan zullen hun ouders meer kans hebben om elkaar tegen te komen en te leren kennen. En dan zullen wij meer praten over klasse, in vriendschappen en families, in de kroeg en op het werk, in de krant en op tv.

Auteur: Anouk Kootstra

Jouw bijdrage

3 + 1 =
Geef het antwoord op deze rekenoefening. Voorbeeld voor 1+3: voer 4 in.