Burgemeester Dijksma van Utrecht bood in februari haar excuses aan voor de rol die de gemeente heeft gespeeld in de Nederlandse slavernij. Ook ABN Amro maakte deze maand excuses voor het slavernijverleden. Dit is een stap richting erkenning en bewustwording dat het verleden doorsijpelt in het heden. Nu er excuses zijn aangeboden kan er een stap worden gezet richting de toekomst en kan er verantwoordelijkheid worden genomen in de aanpak van discriminatie gericht op Zwarte mensen. Beleid en interventies die hiermee samenhangen zouden vanuit dit historisch perspectief moeten worden bekeken en ontwikkeld. In dit artikel wordt betoogd waarom het belangrijk is anti-Zwart racisme als specifieke vorm van discriminatie te benaderen.

‘Anti-Zwart racisme is een specifieke vorm van racisme en discriminatie gericht op mensen, groepen, instellingen, eigendommen, instituties en/of religieuze voorzieningen van (vermeende) Afrikaanse herkomst die als ‘Zwart’ worden geracialiseerd. Deze vorm van racisme is in de hedendaagse Nederlandse samenleving gebaseerd op en wordt er in stand gehouden door de ideeën over ‘ras’ die geworteld zijn in een lange geschiedenis van kolonialisme en slavernij.’

 

'Zwart' wordt in dit artikel met een hoofdletter geschreven om een onderscheid te maken met de kleur zwart of zwart als bijvoeglijk naamwoord.

Gemarginaliseerde positie Zwarte mensen

In 2019 riep het Europees Parlement haar lidstaten op om racisme tegen Zwarte mensen als specifieke discriminatiegrond, dus het kenmerk waarop iemand gediscrimineerd wordt, te behandelen. Dit omdat Zwarte mensen in Europa één van de grootste gemarginaliseerde groepen zijn en Zwarte mensen structureel te maken hebben met ongelijkheid, uitsluiting, racisme en geweld. Dit blijkt uit verschillende onderzoeken, onder meer van ENAR en FRA. Dit is ook de reden dat de Verenigde Naties eerder in 2014 de The International Decade for People of African Descent (2015-2024) heeft uitgeroepen om aandacht te vragen voor de gemarginaliseerde positie van Zwarte mensen in Europa.

In Nederland hebben (veel) Zwarte mensen ook een gemarginaliseerde positie in de samenleving en komt anti-Zwart racisme veelvuldig voor op allerlei terreinen. Voorbeelden hiervan zijn in het onderwijs, op de arbeids- en woningmarkt en in de openbare/sociale ruimte. Bij veel instanties wordt anti-Zwart racisme geschaard onder ‘discriminatie op grond van etniciteit/huidskleur/herkomst’ en bestaat hier geen specifieke aandacht voor. Dit wordt ook duidelijk wanneer er wordt gekeken naar het (lokale) antidiscriminatiebeleid, waar gemeenten een centrale rol in spelen. Anti-Zwart racisme wordt in dit beleid (voornamelijk) gekaderd in de categorie ‘etniciteit/afkomst’. Ook in het nieuwe coalitieakkoord wordt er met geen woord gerept over anti-Zwart racisme. Andere vormen van discriminatie die specifieke aandacht vereisen krijgen deze ook niet, zoals antiziganisme (in Nederland betreft dit discriminatie richting Sinti en Roma).

Anti-Zwart racisme wordt vaak in gelijke context aangeduid met ‘Afrofobie’. Hier wordt anti-Zwart racisme gebruikt, omdat ‘Afrofobie’ specifiek verwijst naar angst, maar deze vorm van racisme wordt (ook) in stand gehouden door de bestaande structuren, dat ‘Zwart’ inferieur is aan ‘wit’ (Polkamp, 2020; Zeefuik, 2020). Er bestaat geen consensus over de definiëring, maar in de kern wordt er hetzelfde mee bedoeld.

Anti-Zwart racisme als specifieke vorm onderbelicht

Anti-Zwart racisme wordt (nog) niet als specifieke vorm van discriminatie gezien. Dit zorgt ervoor dat het een onderbelicht en onderschat probleem blijft. Hier waarschuwde het Meldpunt Discriminatie regio Amsterdam (MDRA) in 2020 voor. Het bestaat namelijk pas wanneer er een woord voor is, aldus Julie Blussé, die taalwetenschapper Sibo Kanobana aanhaalt in de Onbehaarde Apen Podcast van de NRC. Wanneer anti-Zwart racisme geen specifieke aandacht krijgt in de meldingscijfers van discriminatie kan de omvang niet geduid worden, waardoor specifieke aandacht hiervoor achterblijft. Dit kan gevolgen hebben op het te voeren beleid. Door specifieke aandacht te geven aan anti-Zwart racisme kan gevoerd beleid bovendien worden geëvalueerd en de positie van Zwarte mensen worden gemonitord.

Het institutioneel racisme van vandaag de dag, is niet los te zien van eeuwen slavernij en kolonialisme en de denkbeelden die in deze context zijn ontstaan

Daarnaast blijkt het belang van specifieke aandacht voor anti-Zwart racisme uit het feit dat deze vorm specifieke triggerfactoren heeft die verschillen van andere discriminatiegronden. Triggerfactoren zijn: ‘concrete gebeurtenissen die bijdragen aan het uiten van discriminatoir gedrag’ (Van Wonderen en Van Kapel, 2017). Anti-Zwart racisme heeft specifieke triggerfactoren die andere vormen van discriminatie niet hebben. Zo zorgt de komst van Sinterklaas vaak voor uitingen van anti-Zwart racisme wanneer de Zwarte Pieten discussie weer ter sprake komt. Deze triggerfactoren geldt niet voor andere vormen van discriminatie en racisme, zoals voor anti-Aziatisch racisme. Voor deze vorm gelden weer andere specifieke triggerfactoren, zoals de uitbraak van het coronavirus. Toch worden deze verschillende vormen van discriminatie doorgaans gecategoriseerd in hetzelfde algemene hokje ‘racisme’. Hiermee wordt er dus geen recht gedaan aan de specifieke triggerfactoren die verbonden zijn aan die verschillende vormen. Voor het voeren van effectief beleid is het belangrijk deze triggerfactoren scherp te hebben zodat hier op ingespeeld kan worden. Zo kan een gemeente zich bijvoorbeeld uitspreken voor een inclusief Sinterklaasfeest zonder Zwarte Piet.

Het wil echter niet zeggen dat er geen overkoepelende oorzaken en triggerfactoren zijn die voor de uitsluiting van meerdere gemarginaliseerde groepen gelden. Deze uitsluitingsmechanismes gaan over discriminatie en racisme in het algemeen (Cain & Wijdenbosch, 2017). Daarom is het van belang het antidiscriminatiebeleid niet te richten op één enkele discriminatiegrond.

Voor het begrijpen en herkennen van de uitsluitingsmechanismes die gelden voor anti-Zwart racisme is historische kennis nodig (Cain & Wijdenbosch, 2017). De Advies Dialooggroep Slavernijverleden stelt: ‘het institutioneel racisme van vandaag de dag, is niet los te zien van eeuwen slavernij en kolonialisme en de denkbeelden die in deze context zijn ontstaan’. Dat het belangrijk is voor de aanpak van anti-Zwart racisme om de historie in acht te nemen wordt beaamd door Linda Nooitmeer, voorzitter van het Nationaal Instituut Nederlands slavernijverleden en erfenis (NiNsee) (zie factsheet anti-Zwart racisme). Zij stelt dat Anti-Zwart racisme een veelvoorkomende vorm van discriminatie is die voortvloeit uit de normalisatie en de legitimatie van verschillende patronen die zijn ontstaan in het verleden. Deze patronen werken door in de hedendaagse (machts)structuren die zorgen voor een gemarginaliseerde positie van Zwarte mensen (Momodou & Pascoët, 2014).

Het niet erkennen van anti-Zwart racisme als specifieke vorm van discriminatie en bewust zijn van het verleden zorgt ervoor dat machtsverhoudingen in stand worden gehouden

Anti-zwarte racisme vindt zijn oorsprong in het verleden

Anti-Zwart racisme heeft een lange geschiedenis. Het slavernijverleden is niet zo lang geleden en nog steeds voelbaar bij Nederlandse burgers. Huidige stereotypen over Zwarte mensen zijn te herleiden naar de tijden van kolonialisme en slavernij. En tot op de dag van vandaag heeft het verleden effect op het dagelijkse leven van Zwarte mensen in Nederland (Momodou & Pascoët, 2014). Denk aan een melding bij het MDRA (2020). Een rijinstructeur zei tegen een leerling die nog naar het planetarium moest: ‘Waar? Naar de plantage? Je hoeft geen suikerbieten meer te verbouwen’. Of de melding over een Zwart jongetje dat werd aangeboden als ‘slaaf’. Ook bestaande (machts)structuren uit het verleden sijpelen door in het heden, zoals de vele witte (mannelijke) leidinggevenden. Het niet erkennen van anti-Zwart racisme als specifieke vorm van discriminatie en bewust zijn van het verleden zorgt ervoor dat machtsverhoudingen in stand worden gehouden (Momodou & Pascoët, 2014). Immers de lange geschiedenis van de ongelijke positie van Zwarte mensen in vergelijking met witte Europeanen is er ingeslopen en valt daardoor minder op als je hier niet bewust van bent. Dit maakt het minder grijpbaar en lastig aan te pakken. Het besef dat het verleden doorsijpelt in het heden kan je als gemeente boven tafel brengen door bijvoorbeeld onderzoek te faciliteren/stimuleren/ondersteunen dat het verleden belicht vanuit een niet-Eurocentrisch perspectief. Ook kan het scholen ondersteunen in het onder de aandacht brengen van het slavernijverleden of een tentoonstelling over deze geschiedenis naar de gemeente toe trekken.

Beknopt historisch overzicht

Nu volgt een beknopt historisch overzicht van anti-Zwart racisme, voor meer kennis over deze geschiedenis, bekijk bijvoorbeeld de website van NiNsee, van de Canon van Nederland of de website van The Black Archives.

De rol van de kerk in het ontstaan van anti-Zwart racisme

Het rassendenken en het daaraan gekoppelde anti-Zwart racisme heeft een eeuwenlange geschiedenis die begon in de 16e eeuw, waarin de kerk het moraal bepaalde. Afrikanen werden door (de meeste) Europeanen gezien als mensen zonder ziel en daarom, vanuit Christelijk perspectief, geschikt bevonden om tot slaaf te worden gemaakt. Immers, wanneer je geen God hebt, heb je geen ziel. En zonder ziel ben je niet menselijk maar dierlijk. In de bijbel meenden Europese theologen geen bezwaren te lezen tegen slavernij (Grosfoguel, 2013; NiNsee, 2021). In deze tijd waren er ook verschillende Christelijken die zich uitspraken tegen de slavernij. Dit ging niet over het principe van slavernij zelf, maar over specifieke gevallen die tot slaaf werden gemaakt (Van Mulligen, z.d.). De verdeeldheid over slavernij onder de Christelijke Europeanen leidde ook tot het ‘Dispuut van Valladolid’ in 1550-1551. Dit dispuut wordt gezien als het eerste racistische debat in de wereldgeschiedenis (Grosfoguel, 2013). In dit dispuut werd betoogd dat de inheemse mensen van ‘de Nieuwe Wereld’ niet onderworpen konden worden aan slavernij. Deze inheemse mensen zouden namelijk, in tegenstelling tot Zwarte mensen, wel een ziel hebben. Mensen met ziel werden beschouwd door de kerk als menselijk en als personen die beschikken over rede. Hierdoor werden ze gezien als ‘mensen’ en konden ze vrijwillig begeleid worden naar het christendom (Grosfoguel, 2013; Schunck, 2019). Er was geen eindoordeel van het dispuut, maar dit laat wel zien dat er door (sommige) Europeanen in die tijd al een rangschikking werd gemaakt op basis van ‘ras’. Dat de inheemse bevolking door sommige Europeanen niet geschikt werden bevonden voor de slavernij wil niet betekenen dat zij vredig samenleefden. Er was namelijk (onder andere) sprake van massale uitroeiing van de inheemse bevolking door de Europeanen (Van Mulligen, z.d.). De religieuze discussie omtrent de rechtvaardiging van slavernij ging gestaag door de eeuwen na dit eerste dispuut. Sommige kerkelijken bekritiseerden dit, andere kerkelijken rechtvaardigden dit. Zo waren er theologen die (valselijk) beweerden dat in de bijbel stond dat Zwarte mensen erfelijk vervloekt waren omdat zij de afstammelingen zouden zijn van de zonen van Cham. Deze kreeg in het boek Genesis van de bijbel van zijn eigen vader Noah te horen dat zijn nazaten gedoemd waren als dienaren door het leven te gaan. Deze vervalsing werd al direct door andere theologen bestreden, maar ze zou toch de nodige invloed hebben (NiNsee, 2021; Van Mulligen, z.d.).

Dit religieuze racisme van de 16e eeuw heeft dezelfde onderliggende gedachtegang als het (pseudo)wetenschappelijke racisme van de 19e eeuw. Dit (pseudo)wetenschappelijke racisme ging over de vermeende biologische verschillen tussen Zwarte en witte mensen. Zwarte mensen werden gezien als inferieur aan witte mensen, vanwege hun biologie. Deze redenatie diende als uitgangspunt voor de (westerse) wereldlijke organisatie. Dit maakte Zwart als ‘ras’ inferieur aan wit in onder meer de arbeidsmarkt en het sociale leven. Deze anti-Zwart racistische structuren zijn tot de dag van vandaag te zien in de moderne wereld en zitten diep geworteld in de maatschappij en het collectieve onderbewustzijn (NiNsee 2021, Grosfoguel, 2013; 2016; Jouwe, 2015). Deze beknopte geschiedenisles maakt duidelijk dat anti-Zwart racisme en het daarmee gepaarde discriminatie, uitsluiting, achterstelling en geweld voortkomt uit misstanden uit het verleden. Deze geschiedenis geldt specifiek voor anti-Zwart racisme. Andere vormen van discriminatie hebben ieder een ander verleden dat van invloed is op de hedendaagse vorm van discriminatie waar deze groepen mee te maken hebben.  

Ontwikkeling verzet tegen anti-Zwart racisme in de moderne tijd

Na de Tweede Wereldoorlog werd ‘ras’ als ordeningsprincipe geprobeerd de kop in te drukken en werd het gezien als sociaal construct. Discriminatie op basis van ‘ras’ werd iets wat zoveel mogelijk werd geprobeerd te voorkomen. Het denken in ‘rassen’ werd verwijderd uit het publieke discours in Nederland, omdat het werd gezien als rechtvaardiging voor racisme en herinneringen aan de holocaust opriep (Cain & Wijdenbosch, 2017; Jouwe, 2015; Siebers, 2017). Dit zorgde er echter niet voor dat anti-Zwart racisme uit de Nederlandse maatschappij verdween.

In de jaren vijftig van de vorige eeuw waren er namelijk verschillende Surinaamse en Caribische studentenorganisaties die zich uitspraken over het aanblijvende anti-Zwart racisme en de structurele ongelijkheid in Nederland (Flores in Cain & Wijdenbosch, 2017). Tot de jaren zeventig bleef het daarna relatief stil, voor het grote publiek, omtrent anti-Zwart racisme in Nederland. Vanaf de jaren zeventig kwam een antiracisme-beweging in Nederland tot stand. Partijen als De Landelijke Organisatie van Surinamers in Nederland (LOSON) en de Surinaamse Arbeiders en Werkers organisatie (SAWO) voerden deze strijd aan (Internationaal Instituut voor Sociale Geschiedenis, z.d.). Hiermee ontstond er ook meer wetenschappelijke aandacht voor het thema. Zeker na de moord op Kerwin Lucas (Duinmeijer). Deze 15-jarige jongen werd neergestoken door een dader met ‘100%-white’ getatoeëerd op zijn arm en een taxichauffeur weigerde daarna om het slachtoffer naar het ziekenhuis te brengen. Kerwin Lucas met een Caribische achtergrond overleed even later aan zijn verwondingen en wordt bestempeld als ‘Het eerste dodelijke slachtoffer van hedendaags racisme in Nederland’. Twee maanden later werd het eerste officiële bureau voor racismebestrijding in Nederland, RADAR, opgericht. Hierop volgde enkele jaren later het Landelijk Bureau Racismebestrijding waarmee er meer aandacht kwam voor (anti-Zwart) racisme in Nederland (Blekendaal, 2003; Cain & Wijdenbosch, 2017). De aandacht voor anti-Zwart racisme is in de periode daarna, voor het grote publiek, gestagneerd mede door de groeiende aandacht voor integratievraagstukken en andere vormen van uitsluiting (Cain & Wijdenbosch, 2017). De aandacht voor anti-Zwart racisme is sinds 2011, met de arrestatie van verschillende anti-Zwarte Piet activisten, wederom onder de publieke aandacht gebracht en anno 2021 een actueel vraagstuk met een groot draagvlak aan medestanders. Dit werd zichtbaar met de Black-Lives-Matter demonstraties door het hele land waar duizenden mensen op afkwamen.

Geleidelijk meer aandacht vanuit de Nederlandse overheid

Vanuit Nederlandse overheden en instituten komt er langzamerhand meer specifieke aandacht voor anti-Zwart racisme als unieke vorm van discriminatie. Zo besteden enkele antidiscriminatievoorzieningen sinds enkele jaren aandacht aan anti-Zwart racisme in de meldingscijfers. En liet het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (onder andere) enkele onderzoeken uitvoeren specifiek over anti-Zwart racisme (Cain en Wijdenbosch, 2017, Risbo 2020).

Voor een effectief beleid om discriminatie jegens Zwarte mensen tegen te gaan is het verstandig om in beleid specifieke aandacht te besteden aan anti-Zwart racisme vanwege de historie die een nasleep heeft in de huidige positie van Zwarte mensen en vanwege de specifieke triggerfactoren en uitingsvormen. In de nieuwe handreiking Geen ruimte voor discriminatie wordt er uitgebreid ingegaan op hoe dit beleid ingericht kan worden.

Auteurs: Amma Asante en Koen Kros

Bronnen

Cain, A., & Wijdenbosch, D. (2017). Uitsluitingsmechanismes van mensen van Afrikaanse afkomst in Nederland: Wat is er over bekend? Een quick scan van de literatuur. Amsterdam: Vrije Universiteit Amsterdam. Verkregen van ResearchGate

Grosfoguel. R. (2013). The structure of knowledge in westernized Universities: Epistemic racism/sexism and the four genocides/epistemicides of the long 16th century. Human Architecture: Journal of the Sociology of Self-Knowledge, XI(1), 73-90. Verkregen van Scinapse

Grosfoguel, R. (2016). What is Racism? Journal of World-Systems Research, 22(1), 9-15. Doi: 10.5195/jwsrl.2016.609

Jouwe, N. (2015). Gevangen in een paradox: racisme in Nederland. Waardenwerk, 62, 10-23. Verkregen van Waardenwerk

Momodou, J., & Pascoët, J. (2014). Towards a European strategy to combat Afrophobia. European Network Against Racism, Invisible visible minority: Confronting Afrophobia and advancing equality for people of African descent and Black Europeans in Europe, 262-272. Verkregen van Afrika studier

Ninsee. (2021). Ontketend perspectief: deelrapport werkgroep 1 – het verhaal: Verkenning Nederlands trans-Atlantische slavernij museum. Verkregen van Ninsee

Schunck, C. W. M. (2019). Intolerante tolerantie: De geschiedenis van de katholieke missionering op Curaçao 1499-1776 (Proefschrift). Verkregen van Radboud Universiteit

Siebers, H. (2017). ‘Race’ versus ‘ethnicity’?. Ethnic and Racial Studies, 40(3), 369-387. Doi: 10.1080/01419870.2017.1246747

Van Mulligen, R. (z.d.). De Kerk en slavernij. Tilburg School of Catholic Theology. Verkregen van Lucepedia - Digitale theologische encyclopedie

Van Wonderen, R., & Van Kapel, M. (2017). Oorzaken en triggerfactoren moslimdiscriminatie in Nederland. Verwey-Jonker Instituut. Verkregen van Verwey-Jonker Instituut

Zeefuik, S. (2020, 12 augustus). Voor wie nog steeds niet weet wat anti-zwart racisme is. One World. Verkregen van OneWorld