Artikel

Hoe bespreek je stagediscriminatie met studenten?

Reportage over workshop met onderwijsprofessionals

Artikel - 13 juni 2017

Uit KIS-onderzoek blijkt dat mbo-studenten van niet-westerse komaf regelmatig te maken hebben met ongelijke kansen op de stagemarkt. Hoe bespreek je als onderwijsprofessional stagediscriminatie met hen? Een reportage over de Startbijeenkomst stagediscriminatie die KIS vanaf september weer aanbiedt. 

Er hangt een verwachtingsvolle sfeer in het klaslokaal van ROC De Leijgraaf in Veghel. Waar normaal gesproken studenten logistiek les krijgen over de transportsector staat vanmiddag de KIS-Startbijeenkomst stagediscriminatie op het programma. Een bijeenkomst voor onderwijsprofessionals waarin het bespreken van stagediscriminatie van studenten met een migratieachtergrond centraal staat.
Stagediscriminatie is een beladen onderwerp, heeft workshopleider en onderzoeker Eva Klooster voorafgaand aan de bijeenkomst verteld. ‘Bovendien praten onderwijsprofessionals tijdens de workshop vaak pas voor het eerst met elkaar over deze vorm van discriminatie.’

Ook in Veghel lijkt dat het geval. Na de thema-introductie van Klooster, waarin ze onder meer een overzicht geeft van wat er uit wetenschappelijke hoek bekend is over ongelijke kansen op de arbeids- en stagemarkt, blijft het in eerste instantie stil. Een paar tellen, maar dan komt er een stroom aan verhalen op gang, worden emoties zichtbaar en blijken de resterende 45 minuten van de workshop eigenlijk te kort om alle ervaringen en dilemma’s rond stagediscriminatie te kunnen bespreken.

Mooi smoesje

Jongens van buitenlandse komaf komen in de autotechniek heel moeilijk aan de bak’, zegt docent autotechniek Jeroen van den Heuvel. ‘Garagebedrijven hebben altijd een mooi smoesje, maar over afkomst wordt niet gesproken. Het blijft onderhuids, waardoor je bedrijven er moeilijk op kunt aanspreken.’

Studenten van niet-westerse komaf ontvangen meer afwijzingingen dan autochtone klasgenoten

De ervaringen van Van den Heuvel staan niet op zichzelf. Vorig jaar voerde KIS het eerste kwalitatieve onderzoek uit naar stagediscriminatie binnen het mbo. Uit deze verkenning bleek dat mbo-studenten van niet-westerse komaf regelmatig te maken hebben met ongelijke kansen op de stagemarkt. Zo duurt het langer voordat zij een stageplek hebben gevonden en ontvangen zij vaak meer afwijzingen dan  autochtone klasgenoten. Dat lijkt met name te gelden voor meisjes met een hoofddoek en jongens met een Marokkaanse achtergrond die een representatieve functie ambiëren binnen sectoren als bijvoorbeeld het hotelwezen, de horeca, advocatuur of detailhandel.

Moedeloos

‘Waarschijnlijk speelt stagediscriminatie op meerdere onderwijsniveaus’, zegt Klooster. Maar in het mbo is de urgentie van het vinden van een prettige stage heel groot. Het succesvol afronden van een of meerdere stages vormt een belangrijk deel van de opleiding. ‘Dat geldt zeker voor studenten die de Beroepbegeleidende Leerweg (BBL) volgen en in de regel vier dagen per week op hun leerwerkplek zijn.’

Op den duur krijgen die jongens het gevoel: ze moeten me niet

Moedeloos worden de studenten van Van den Heuvel ervan als ze de zoveelste afwijzing ontvangen of vaak zelfs helemaal niets horen en vermoeden dat dit met hun afkomst te maken heeft. ‘Op den duur krijgen die jongens het gevoel: ze moeten me niet’, zegt hij. ‘Als docent wordt het steeds lastiger om zulke studenten te blijven motiveren. Gelukkig lukt het hen uiteindelijk allemaal om een passende stage te vinden.’
Van den Heuvels collega Ellen van den Bosch, die op de Leijgraaf-vestiging in Oss lesgeeft aan nieuwkomers, herkent de impact die (vermeende) discriminatie op studenten kan hebben. ‘Mijn leerlingen hoeven nog geen stage te volgen, maar ik wil ze wel aan het werk hebben. Al is het maar een klein baantje in de zomervakantie.’ Van den Bosch merkt echter dat veel van haar leerlingen maar niet in beweging komen. ‘Zij denken door hun afkomst niet in aanmerking te komen voor een baantje en solliciteren daarom niet.’

Meegaan naar sollicitatiegesprek

Mijding lijkt een veelvoorkomende reactie op stagediscriminatie of op de angst daarvoor, zegt Klooster. ‘Daarom zijn jullie als onderwijsprofessionals ook zo belangrijk. Als het onderwijs niet ingrijpt, lopen jongeren te veel vol met negatieve ervaringen.’
Klooster heeft de workshop Een stageplek voor iedereen inmiddels op tientallen mbo-instellingen gegeven en constateert dat waar stagecoördinatoren hun nek uitsteken, ze echt het verschil kunnen maken. Bijvoorbeeld door met studenten mee te gaan naar een sollicitatiegesprek. ‘Als een BPV-coördinator een zogenoemde warme introductie regelt en duidelijk maakt waarom Mehmet een goede student is, blijkt het meestal wel te lukken met die stageplek.’
Op ROC De Leijgraaf is net als op verreweg de meeste mbo-instellingen (nog) geen protocol dat aangeeft hoe onderwijsprofessionals met stagediscriminatie of vermoedens hierover moeten omgegaan. ‘Ik weet dat het landelijk een issue is’, zegt Karin Visser, lid van de Raad van Bestuur van De Leijgraaf. ‘Maar vanuit onze vestigingen, waar zo’n zesduizend leerlingen leskrijgen, hoor ik er zelden iets over. Wel weet ik dat stagediscriminatie op basis van afkomst binnen het domein handel incidenteel voorkomt.’

Intercultureel consulent

Op De Leijgraaf wordt op meerdere manieren aandacht besteed aan deze vorm van discriminatie, vertelt Visser. ‘Wij kiezen daarbij bewust voor een brede aanpak. Doelgroepen waarvan we weten dat zij soms moeilijk aan een stage komen, begeleiden we intensiever door hen bijvoorbeeld sollicitatietrainingen aan te bieden of door met hen mee te gaan naar een sollicitatiegesprek. Dat kan gaan om een student met een niet-westerse achtergrond, maar evengoed om een student met een stoornis in het autistische spectrum.’

Onderwijsprofessionals spelen cruciale rol in creëren van gelijke kansen op de stagemarkt

Stagediscriminatie kunnen studenten en docenten van De Leijgraaf melden bij een intercultureel consulent. Landelijk gezien kwam uit de KIS-verkenning echter naar voren dat studenten zelden aan de bel trekken wanneer zij discriminatie ervaren. Dat blijkt ook voor stagecoördinatoren te gelden, zij zijn op de krappe stagemarkt voor mbo-studenten vaak allang blij als zij hun studenten ergens kunnen onderbrengen. Klooster: ‘Met een bedrijf dat aangeeft wel stagiairs te willen, maar vanwege een slechte ervaring liever even geen student van bijvoorbeeld Antilliaanse komaf, zal zelden het gesprek worden aangegaan. Opleidingen verliezen niet graag hun contacten bij bedrijven.’

Voor KIS zijn dat redenen te over om het onderwerp te blijven agenderen, zegt Hanneke Felten, die het vervolgproject over stagediscriminatie dat in september van start gaat, zal leiden. ‘We weten door ons eerdere project dat onderwijsprofessionals een cruciale rol kunnen spelen in het creëren van gelijke kansen op de stagemarkt, maar dat zij zich hier vaak nog onvoldoende bewust van zijn. Een van de doelen is daarom bewustzijn creëren.’


De Startbijeenkomst stagediscriminatie op ROC de Leijgraaf in Veghel.                                                           Foto: Danny Kreunen

Uitbreiding aanbod workshops

Vanaf september zal KIS het aanbod van Startbijeenkomsten over stagediscriminatie daarom uitbreiden. Daarnaast zal er gewerkt worden aan een wetenschappelijke onderbouwing  voor deze workshops; bekeken wordt waarom en hoe dit effectief is. Ook wordt bekeken hoe het tegengaan en omgaan met stagediscriminatie ingebed kan worden in duurzaam beleid.  
Een van de onderwerpen die wat Klooster betreft dan zeker onder de aandacht moet worden gebracht, is ‘etnische matching’. Er zijn volgens haar sterke signalen dat studenten met een niet-westerse afkomst er steeds vaker voor kiezen om stage te lopen bij een stagebegeleider of een bedrijf met eenzelfde achtergrond. Dat kan te maken hebben met het stage-aanbod in het netwerk van leerlingen, met ervaren discriminatie, de angst hiervoor óf met een stimulans uit het onderwijs. Tijdens de interviews die Klooster en haar collega’s afnamen voor de eerder genoemde KIS-verkenning, spraken zij met meerdere studenten die vanuit hun onderwijsinstelling waren gestimuleerd om te solliciteren op stages die aansloten bij hun niet-westerse achtergrond.

Wat geven we jongeren mee over hun plek in de samenleving? 

‘Een van mijn collega-onderzoekers sprak bijvoorbeeld met een heel tevreden derdejaarsstudent van Turks-Nederlandse komaf ’, vertelt Klooster aan de workshopdeelnemers. ‘Toen ze doorvroeg, bleek hij al zijn stages te hebben gelopen bij Turks-Nederlandse bedrijven. Die waren hem aangeraden door zijn stagecoördinator met de boodschap dat deze bedrijven hem zeker zouden willen hebben. Dat was uiteraard goed bedoeld, maar wat geven we jongeren op deze manier mee over hun plek in de samenleving? En wat doet het met de kansen op de arbeidsmarkt van deze student dat terwijl hij de administratie deed van een kleine garage op de hoek, zijn autochtone klasgenoot ondertussen bij de ABN zat?’

In het klaslokaal in Veghel is het opnieuw stil. De workshopdeelnemers zijn duidelijk geraakt door het voorbeeld. De Turks-Nederlandse gymleraar Sergen Atar begrijpt de studenten die voor zo’n stage kiezen maar al te goed. ‘Het is een natuurlijke reactie op discriminatie of op het gevoel dat je vanwege je afkomst toch geen gelijke kansen krijgt.’ Atar werd als stagiair zelf ook geconfronteerd met discriminatie. ‘Ik voelde dat er iets niet klopte in de manier waarop ik door iemand op de werkvloer bejegend werd’, zegt hij. ‘Toen ik dit vervolgens aankaartte, distantieerden mijn collega’s zich onmiddellijk van de collega in kwestie. Je durven uitspreken en je vervolgens gesteund voelen, is zo belangrijk.’

Bent u als mbo-professional geïnteresseerd in de Startbijeenkomst stagediscriminatie? Neem dan contact op met Hanneke Felten h.felten@movisie.nl. De workshop wordt vanaf september 2017 weer gegeven.

 

Reacties

Het niet willen of kunnen aannnemen van stagieres geldt niet alleen voor mensen met een etnische andere achtergrond, maar helaas ook voor oudere vrouwen. Bij navragen van de renenen hiervoor, loopt het volgens de werkgevers vast op iets anders, nl. dat er "geen tijd is om die stagieres te begeleiden". Dit zou opgelost kunnen worden door een externe begeleider aan te stellen. Dan kan hoeft de werkgever zich hierover geen zorgen te maken en kijkt de externe stage- begeleider fris tegen eventuele problemen aan. Deze koppelt ook terug naar school en tekent de ervaringspunten af, geeft feedback e.d. Daarnaast pleit ik voor het instellen van verplichte stageplekken bij bepaalde bedrijven. Zie ook mijn artikel hierover in het vakblad Maatwerk.

Reageer