Hoe denkt Nederland écht over mensen van kleur, Zwarte Nederlanders en religieuze groepen?

Terwijl de houding van de Nederlandse bevolking tegenover lhbtiqa+ personen periodiek wordt gemonitord, ontbreekt een vergelijkbaar overzicht van de houding tegenover mensen van kleur, Zwarte Nederlanders en religieuze groepen. Wat weten we eigenlijk over hoe Nederlanders denken over deze groepen? Nemen racistische houdingen juist toe of af in Nederland? KIS onderzocht wat er wél en niet bekend is, en hoe een periodieke monitor kan bijdragen aan beter inzicht. 

Artikel
Discriminatie

Negatieve houdingen kunnen leiden tot discriminatie en minder sociale samenhang. Zonder actuele kennis over deze houdingen is het lastig om te beoordelen of beleid en initiatieven tegen racisme en discriminatie effect hebben. In Nederland is de afgelopen jaren incidenteel onderzoek gedaan naar houdingen tegenover mensen met een migratieachtergrond, mensen van kleur, Zwarte Nederlanders en religieuze groepen. Deze onderzoeken richtten zich vooral op een select aantal groepen en thema’s. Maar een compleet beeld van hoe de Nederlandse bevolking over deze groepen denkt, ontbreekt. 

Wisselend beeld

Uit de schaarse literatuur die er wel is, blijkt een wisselend beeld. Sommige monitorstudies suggereren dat negatieve houdingen van Nederlanders over mensen van kleur, Zwarte personen of religieuze groepen positief of stabiel zijn. Maar aanvullende onderzoeken tonen juist aan dat Nederlanders, met name tegenover moslims, vaak negatief denken. Expliciete steun voor etnische discriminatie steeg van circa 25 procent in 1985 naar 40 procent in 2010, en grove negatieve houdingen van 25 procent in 1985 naar circa 50 procent in 2011/2012 (Coenders et al., 2015; Lubbers & Scheepers, 2019). Het gaat hierbij om instemming met zeer negatieve en stereotype uitspraken over onder andere Marokkanen, Surinamers en Sinti en Roma. Volgens de auteurs duidt dit op het verdwijnen van het taboe op negatieve uitspraken over mensen van kleur, vooral onder jongeren. 

NIMBY-effect

Nederlanders zijn minder positief over een asielzoekerscentrum (azc) in de eigen buurt, het bekende 'Not In My Backyard' (NIMBY)-effect: ongeveer een kwart heeft bezwaar, een derde twijfelt en een derde heeft geen bezwaar (Hendriks, 2023). Tegelijk blijkt dat daadwerkelijke aanwezigheid van een azc in de buurt vaak leidt tot positievere houdingen (Kuppens et al., 2019). Dit komt overeen met de contacttheorie: positief contact leidt tot minder vooroordelen (Allport, 1954).

Jongens denken vaker negatiever over moslims en vluchtelingen dan meisjes.

Verschillen tussen groepen

Verschillen tussen groepen zijn aanwezig: praktisch opgeleiden, mannen, mensen zonder migratieachtergrond en inwoners van kleinere gemeenten hebben gemiddeld negatievere opvattingen over migratie en vluchtelingen dan theoretisch opgeleiden, vrouwen, mensen zonder migratieachtergrond en stedelingen (Van Wonderen & van Kapel, 2016; Kloosterman, 2018; Kunst, Coenders & Dagevos, 2025). Jongens denken vaker negatiever over moslims en vluchtelingen dan meisjes; 30 procent versus 15 procent in 2017 (Van Wonderen & Van Kapel, 2017). Mensen zonder migratieachtergrond zijn gemiddeld bereid om bijna tien minuten langer te reizen naar voorzieningen als ze daarmee kunnen wonen in een buurt zonder bewoners met een Turkse of Marokkaanse achtergrond, in plaats van in een buurt waar 25 procent van de bewoners die achtergrond heeft (Dederichs et al., 2025).

Welke kennis ontbreekt? 

Hoewel er redelijk wat onderzoek bestaat, zijn er maar weinig monitorstudies gedaan. Recente, systematische en herhaalde metingen van publieke houdingen ontbreken grotendeels. De meeste studies zijn momentopnames en gebruiken uiteenlopende meetinstrumenten, waardoor resultaten moeilijk vergelijkbaar zijn. De focus van bestaande monitorstudies ligt sterk op moslims en joden, terwijl andere religieuze groepen (zoals Hindoes) buiten beeld blijven. 

Ook blijven impliciete houdingen onderbelicht. Er kan namelijk een verschil zijn tussen iemands bewuste houding (expliciet), die je meet via enquêtes, en iemands automatische, onbewuste houding (impliciet) (zie o.a. Dovidio et al., 2021). Het gaat hierbij om onbewuste vooroordelen, zoals dat je onbewust iets verder opschuift als iemand van kleur naast je komt zitten in de bus, dan als een wit persoon dat doet. In onderzoek dat er tot nu toe is, wordt vooral gekeken naar bewuste houdingen, dus dat wat men al weet van zichzelf. Hierdoor is het beeld dus niet compleet. 

Als laatste ontbreekt intersectioneel onderzoek dat laat zien hoe verschillende identiteitskenmerken, zoals huidskleur, religie, gender of seksuele oriëntatie, samen invloed hebben op hoe mensen worden bekeken of behandeld.

Meldingen van racisme en discriminatie, vooral tegen mensen met een Turkse of Marokkaanse achtergrond, blijven relatief hoog. 

Verschil tussen houding en ervaren discriminatie

Door deze beperkte focus en het gebrek aan intersectioneel onderzoek is er geen goed inzicht in hoe en hoe vaak discriminatie voorkomt in Nederland. Dit wordt zichtbaar wanneer we kijken naar de kloof tussen wat mensen zeggen te vinden en wat mensen daadwerkelijk ervaren. 

Hoewel 68 procent van de Nederlanders discriminatie afkeurt, zegt tegelijkertijd 72 procent van de burgers dat er tegenwoordig te snel geroepen wordt dat iets discriminatie is (den Ridder et al., 2017). Ook blijven meldingen van racisme en discriminatie, vooral tegen mensen met een Turkse of Marokkaanse achtergrond, relatief hoog, zie ook het rapport Discriminatiecijfers in 2024 met de meest recente meldingen over discriminatie.

Discriminatie op grond van afkomst en religie komt vaak voor, maar het is vaak onduidelijk of dit bewust gebeurt (Quillian & Lees, 2023; Thijssen et al., 2022). Onderzoek laat bijvoorbeeld zien dat Nederlanders onbewust leiderschap associëren met witheid (Van Gündemir et al., 2014). Ook spelen Nederlandse witte kinderen het liefst met andere witte kinderen en het minst met kinderen van Midden-Oosterse afkomst (de Bruijn et al., 2020). Het gedrag van mensen tegenover anderen met een andere afkomst dan zijzelf komt niet altijd overeen met de houdingen die zij in onderzoeken rapporteren.

Wat experts signaleren: gemiste perspectieven en nieuwe richtingen

Tijdens een expertmeeting bevestigden onderzoekers en professionals uit het maatschappelijk middenveld dat de bestaande kennis een beperkt beeld schetst van hoe Nederlanders denken over verschillende etnische en religieuze groepen. 

Experts signaleren dat bepaalde groepen onderbelicht blijven. Zo wordt nauwelijks onderzocht hoe Nederlanders denken over Sinti en Roma, Oost-Europese en Aziatische Nederlanders, of mensen met een adoptieachtergrond. Ook Nederlanders van kleur als expliciete categorie krijgen weinig aandacht. Opvallend is dat sommige domeinen, zoals huisvesting, de stagemarkt en het uitgaansleven, wél worden onderzocht, maar dan vaak uitsluitend met betrekking tot mensen met een migratieachtergrond. Hierdoor ontstaat er geen volledig beeld van hoe de bredere samenleving deze domeinen ervaren, waardoor er een vertekend beeld kan ontstaan. 

Experts noemen meerdere oorzaken voor het ontbreken van de kennis. Vooroordelen bij onderzoekers kunnen de focus, vraagstelling en afbakening van thema’s beïnvloeden, waardoor bepaalde groepen steeds weer buiten beeld blijven.

Positief contact met mensen waar eerst vooroordelen over bestonden kan de houding verbeteren.

Gebrek aan nuance

Op inhoudelijk vlak ontbreekt volgens de experts vooral nuance. Veel studies richten zich op uitersten: uitgesproken negatieve of positieve houdingen. Hierdoor is weinig bekend over het grote middensegment van genuanceerde, wisselende opvattingen, terwijl dit veel kan bepalen in hoe mensen reageren. Iemand kan bijvoorbeeld tolerant zijn, maar minder positief reageren als een groep dichtbij komt. Tegelijk kan positief contact met mensen waar eerst vooroordelen over bestonden de houding verbeteren (Pettigrew & Tropp, 2006; Van Assche et al., 2023).

De focus ligt vaak op verschillen tussen groepen, in plaats van op wat mensen verbindt of op momenten van solidariteit. Er ontbreekt nog steeds een langetermijnperspectief: er is weinig onderzoek dat systematisch bijhoudt hoe houdingen over de jaren veranderen, en naar de samenhang tussen houdingen tegenover verschillende groepen. Zijn negatieve beelden over moslims, Oost-Europeanen en Zwarte Nederlanders verbonden, of staan ze los van elkaar?

Aanbevelingen voor toekomstig onderzoek

Experts benadrukken dat kennis niet in een la mag blijven liggen, maar moet leiden tot actie. Een monitor is hiervoor een goed instrument. Zo’n monitor kan houdingen en ervaringen over de tijd volgen, methodologisch gestandaardiseerd zijn, onderbelichte groepen betrekken en de relatie tussen houding en gedrag onderzoeken. Een goede monitor heeft oog voor verschillende beleidsterreinen, erkent diversiteit binnen groepen, is genuanceerd en niet-stigmatiserend, en levert bruikbare inzichten voor beleidsinterventies. Alleen op deze manier kan Nederland een volledig beeld krijgen van hoe racistische houdingen zich ontwikkelen en kan beleid tegen discriminatie effectiever worden getoetst. 

Belangrijke aanbevelingen vanuit de literatuurstudie en expertmeeting zijn:

  • Longitudinaal onderzoek: houdingen en ervaringen over tijd volgen om trends en veranderingen zichtbaar te maken.
  • Gestandaardiseerde en inclusieve meetinstrumenten: vergelijkbaarheid tussen groepen vergroten en methodologische verschillen beperken.
  • Koppeling houding en gedrag: onderzoeken hoe (onbewuste) houdingen doorwerken in gedrag; wat van belang is voor preventie van discriminatie.
  • Onderzoek naar onderbelichte groepen: zoals Aziatische Nederlanders (inclusief Hindoestaans), Roma, Sinti en Oost-Europeanen.
  • Intersectioneel perspectief: aandacht voor meervoudige identiteiten, waaronder leeftijd, gender, etniciteit en seksuele oriëntatie.
  • Onderzoek naar framing en taalgebruik in de media: inzicht in hoe publieke uitingen van houdingen en vooroordelen zich manifesteren in de media.
  • Borg toegankelijke kennisdeling: breng bestaande monitors en onderzoeksresultaten samen op een centrale, toegankelijke plek.

Methode van dit onderzoek

Het onderzoek combineerde een literatuurstudie met een expertmeeting. In de literatuurstudie zijn 16 studies onderzocht, waarvan 2 wetenschappelijke artikelen en 14 rapporten uit de niet-wetenschappelijke literatuur vanaf 2015. Deze richtten zich op negatieve houdingen en racistische gedachten ten aanzien van brede groepen zoals mensen met een migratieachtergrond en vluchtelingen, specifieke herkomstgroepen (bijvoorbeeld Turks, Surinaams, Marokkaans, Caribisch) en religieuze groepen (moslims en joden). Ook jongeren, docenten en de algemene bevolking werden onderzocht. Voor de duiding van de resultaten zijn aanvullende, met name wetenschappelijke artikelen, gebruikt. 
Tijdens de expertmeeting kwamen onderzoekers van universiteiten en kennisinstituten samen met experts uit het maatschappelijk middenveld. Samen bespraken zij wat er ontbreekt aan kennis en wat gemiste perspectieven zijn in bestaand onderzoek, en de mogelijke oorzaken daarvan. Ook formuleerden zij aanbevelingen voor toekomstige monitoring en onderzoek. 

Met dank aan: Maxime Yenga, Hanneke Felten, Liyah Berend & Adaja Boersma

Meer lezen?

Meer informatie?Neem contact op met:

Afbeelding
Portretfoto Fayaaz Joemmanbaks
Afbeelding
Portretfoto Marcel Coenders