Criminoloog Jasper de Bie (Universiteit van Leiden) promoveert op 14 april op de organisatiestructuur en de werkwijze van jihadistische netwerken in Nederland, die hij analyseerde uit politiedossiers van 2000 tot 2013. Zijn onderzoek geeft meer zicht op wat tegen deze netwerken gedaan kan worden. En hoe we voorkomen dat geradicaliseerde moslims uitreizen naar Syrië.

In de meeste onderzoeken naar terroristische netwerken wordt de vraag gesteld waarom mensen radicaliseren. De Bie: ‘Antwoord op de waarom-vraag helpt op de langere termijn, als je je wilt verdiepen in de motieven van jihadisten en preventief wilt ingrijpen. Ik zocht naar een antwoord in acute situaties, als de radicalisering al plaatsvindt. Ik wilde meer zicht krijgen op wat mensen in zulke netwerken mogelijk kunnen doen en vroeg me ook af of dat veranderde in de loop van de tijd en naar aanleiding van welke factoren.’ De Bie kreeg inzicht in dossiers van 28 grootschalige politieonderzoeken in de periode 2000 tot 2013. Hierin vond hij niet alleen rechtbankverslagen, maar ook verhoren, telefoontaps, e-mailtaps en internetconversaties van verdachten. Daarnaast sprak hij onder meer Officieren van Justitie, politiemedewerkers, advocaten, imams en medewerkers van asielzoekerscentra. Ook woonde hij rechtszaken bij, om de dossiers te kunnen plaatsen.

Drie periodes

De Bie onderscheidt tussen 2000 en 2013 drie periodes op basis van de geopolitieke situatie:

Eerste periode: buitenlandse strijder aan het hoofd
In de eerste periode van 2000-2002 reisden Nederlandse jihadistische strijders vooral naar Afghanistan en Pakistan. Met hun acties richtten zij zich op Arabische dictators om hun mede-moslims bij te staan. De netwerken waren hiërarchisch georganiseerd, met een buitenlandse strijder aan het hoofd die banden had met de georganiseerde misdaad. Deze strijder verbleef vaak illegaal in Nederland en rekruteerde moslims in Nederland om te gaan trainen voor de jihad.

Opvallend genoeg vond De Bie dat de netwerken in deze periode ook aantrekkelijk waren voor illegaal verblijvende migranten die in azc’s in benarde omstandigheden lange tijd op een verblijfsvergunning wachtten. De Bie: ‘Procedures duurden toen behoorlijk lang, mensen konden niet werken en verkeerden in financiële en psychische nood. De wrijving in de centra en het gebrek aan privacy trokken een zware wissel op mensen. Aansluiting bij een jihadistisch netwerk kon hen dan bijvoorbeeld een woonplek of een vals paspoort bieden, waardoor ze konden werken in Nederland.’

Tweede periode: Nederlandse moslims richten zelf netwerken op
De tweede periode die De Bie onderscheidt, loopt van 2003 tot 2011. In 2003 waren de Verenigde Staten inmiddels Irak en Afghanistan binnengevallen. Vanaf dat moment waren zij de vijand van de strijders. Bovendien pakte Nederland de buitenlandse strijders op en zette hen het land uit, waardoor Nederlandse moslims zelf netwerken gingen oprichten, minder hiërarchisch en ook met minder geld.

De Bie: ‘In de eerste periode werd alles voor ze geregeld, en nu moesten ze het zelf doen. De onderlinge relaties waren gelijkwaardiger en tegelijkertijd kwam er daardoor ook meer discussie, bijvoorbeeld over de ideologie. Intussen groeide de rol van internet waardoor jongeren ook gelijkwaardiger konden communiceren.’

Derde periode: steeds meer onderling conflict
In de derde periode, vanaf 2011, na de Arabische Lente, is de gezamenlijke vijand opnieuw de dictator in een Arabisch land, zoals Assad in Syrië. ‘Vanaf 2004 zie je echter steeds meer conflicten ontstaan binnen de netwerken. Onderlinge discussies over verschillende interpretaties van de heilige schriften, kritiek op elkaars kleding en gedrag, monden vaker uit in ruzies.’

jihad
Foto: Flickr, laughing spinning dancing

Status

Jasper de Bie constateert dat er ook overeenkomsten zijn in de drie periodes. Zo hebben de in Nederland geboren en getogen jihadisten ook iemand nodig die hen kan helpen met middelen en contacten voor de uitreis: een broker. De Bie: ‘Hoewel de geopolitieke situatie veranderde, bleef de rol van broker constant: je hebt een tussenpersoon nodig die de reis faciliteert en je in contact brengt met mensen aan de grens. Dat kunnen lokale mensen zijn maar ook Nederlanders die daar contacten hebben opgebouwd en de wegen kennen.’

'Hoe vaker ze in de krant staan, hoe stoerder. Het geeft hen status'

Een andere constante zijn de motiverende en demotiverende factoren, aldus De Bie. ‘Voor mensen die langer in de netwerken functioneren, kunnen demotiverende acties bijvoorbeeld van politie, justitie en media, omslaan in motiverende factoren. Als mensen verdacht en opgepakt worden, gelabeld worden als terrorist en hun naam in de krant komt, kan dat eerst demotiverend werken. Maar in de dossiers zag ik dat mensen daar op een gegeven moment een draai aan geven. Wat ze eerst als nederlaag zagen, zien ze dan als overwinning. Het geeft hen status. Hoe vaker ze in de krant staan, hoe stoerder. Een van hen bleek bij een huiszoeking bijvoorbeeld een prikbord te hebben met alle artikelen over hemzelf.’

Wat leert De Bie’s onderzoek ons?

De geopolitieke omstandigheden hebben we niet in de hand, zo start De Bie. ‘Wel is het goed om te beseffen dat ze invloed hebben op de acties van deze mensen: waar ze naartoe reizen, wie ze beschouwen als vijand en welke retoriek ze hanteren. Dat betekent ook dat Nederland doelwit kan worden, nu het een actievere rol inneemt in de strijd in Syrië. Op zo’n moment zouden professionals die met jongeren werken een neutraliserende rol kunnen spelen.’

Ook de rol van de broker geeft aanknopingspunten, aldus De Bie: ‘Dat is vaak iemand die al eerder in het vizier is. Via hem kunnen nieuwe uitreizen voorkomen worden. En uit het feit dat acties van de politie en berichten in de media een motiverende werking hebben, kunnen maatregelen volgen. Bijvoorbeeld van het OM om mensen minder bij naam te noemen en bepaalde acties uit de media te houden, zo zegt De Bie.

En nu vluchtelingen opnieuw in benarde situaties wachten op duidelijkheid, kunnen we wat leren van zijn onderzoek. ‘Het is misschien niet vanzelfsprekend dat mensen die het jihadisme zijn ontvlucht, zich in Nederland aansluiten bij jihadistische netwerken, maar als de omstandigheden en vooruitzichten voor vluchtelingen beperkt zijn, dan zouden ze op zoek kunnen gaan naar alternatieve oplossingen.’

Tot slot kunnen bijvoorbeeld opsporings- en veiligheidsdiensten netwerken verstoren. De Bie: ‘Door zich ongezien te mengen in discussies, misinformatie te verspreiden en zo te zorgen dat conflicten binnen netwerken ervoor zorgen dat die uit elkaar vallen.'

 

Platform Nederlandse onderzoekers radicalisering en extremisme

Elke twee maanden wordt een onderzoek naar het fenomeen radicalisering op deze website uitgelicht. Dit onderzoek is aangedragen door het Platform Nederlandse onderzoekers radicalisering en extremisme, een initiatief van Arq Psychotrauma Expert Groep, Universiteit van Amsterdam, Centrum voor Terrorisme en Contraterrorisme Universiteit Leiden en Intervict Universiteit Tilburg. Doelstelling van het platform is om elkaar vanuit verschillende wetenschappelijke disciplines te informeren over lopend onderzoek, kennis en ervaring uit te wisselen en te komen tot een samenhangende onderzoeksagenda. Tot nu toe hebben zich veertien organisaties bij het platform aangesloten, waaronder Kennisplatform Integratie & Samenleving. Wilt u zich aanmelden voor dit platform, stuur dan een mail naar voorzitter Magda Rooze via m.rooze@impact.arq.org.

Anderen bekeken ook

1 bijdragen van onze lezers

Deel ook jouw kennis, ervaring of mening
Nederland kan doelwit worden nu we actief zijn in Syrie, jongerenwerkers zouden een neutraliserende rol kunnen spelen, berichten in de media kunnen een motiverende werking hebben, vluchtelingen in benarde situaties zouden op zoek kunnen gaan naar alternatieven (radicaliseren), opsporingsdiensten kunnen jihadistische netwerken verstoren: is dit wat we moeten leren van dit onderzoek? Is hier vier jaar lang overheidsgeld voor ingezet om tot deze conclusies te komen? Een bureaustudie die zijn doel bereikt heeft: de bureaulade.

Jouw bijdrage

1 + 0 =
Geef het antwoord op deze rekenoefening. Voorbeeld voor 1+3: voer 4 in.