Moos Pozzo promoveerde aan de VU Amsterdam op de taalstrategieën van jonge vluchtelingen in Nederland. Haar belangrijkste bevindingen? Maak gebruik van de speelsheid waarmee jonge vluchtelingen zich een taal eigen maken. En laat hen vooral in de Nederlandse samenleving de taal leren, niet geïsoleerd in een azc. 

Op haar zevende kwam ze uit Italië naar Nederland. Ze ging naar een Nederlandse basisschool en kwam in haar woonwijk veel met Nederlanders in contact. Zo leerde ze Nederlands. En dat is misschien wel de belangrijkste motivatie van Moos Pozzo, 
onderzoeker aan de Vrije Universiteit van Amsterdam, om promotieonderzoek te doen naar taalstrategieën onder jonge vluchtelingen.

Deze jongeren komen in Nederland in een asielzoekerscentrum (azc) terecht met speciaal taalonderwijs, zonder Nederlanders dus. Hoe leer je dan de taal en hoe ga je om met andere talen die je tegenkomt?  De belangrijkste boodschap die de onderzoeker en de jongeren hebben voor beleidsmakers is: werk samen met de doelgroep waar je beleid voor schrijft! 

Het ontstaan van het onderzoek

'"Dat zoeken van ‘waar hoor ik nou thuis?" en ook het navigeren tussen talen, dat herkende ik in de ervaringen van de jonge vluchtelingen.' Moos Pozzo studeerde Italiaans, gaf daar dertien jaar les in, volgde de Kunstacademie en van daaruit kwam ze te werken in het kunstonderwijs. Uiteindelijk is ze antropologie gaan studeren en promoveerde dus op de creatieve taalstrategieën van jonge vluchtelingen.

Taalstrategieën

Het onderzoek richt zich op jongeren tussen de twaalf en drieëntwintig jaar en hoe zij omgaan met talen tijdens hun participatie en integratietrajecten. Vanaf hun verblijf in het azc tot en met de deelname aan de samenleving. Moos Pozzo onderzocht juist hun taalstrategieën, want dat bleek nog nooit gedaan te zijn. In het onderzoek omvatten deze taalstrategieën het leren van de taal, de taalkeuzes en de meertalige co-creaties van deze jongeren. Vanaf het begin wist Pozzo dat ze de jongeren zodanig in het onderzoek wilde betrekken dat het een samenwerking zou zijn. 

Conclusie onderzoek

Het promotieonderzoek van Moos Pozzo maakt duidelijk dat jongeren hun taalstrategieën steeds weten aan te passen om:
  • meer positieve imago’s te creëren dan die hen worden toegeschreven, 
  • zich los te maken van de paradoxen die zij tegenkomen, en 
  • bij te dragen aan de verschillende contexten waarvan zij deel uitmaken en aan de samenleving als geheel
 
Dit talenspel wordt over het hoofd gezien in beleid en onderzoek, vertelt Moos Pozzo. En dat is jammer, vindt zij. 'Want in een samenleving, waar de diversiteit snel toeneemt, is het juist zo belangrijk omdat deze speelsheid samenhang creëert.'

Participatie paradox

De onderzoeker werkt als programmacoördinator, trainer en intervisiebegeleider bij Stichting de Vrolijkheid, een stichting die creatieve activiteiten voor en met kinderen en jongeren in Nederlandse asielzoekerscentra organiseert. 'Mijn onderzoek startte in 2013 toen in een AZC een jongerenraad werd opgericht met als doel de participatie van de jongeren daar te bevorderen. Toen ik hen vroeg wat zij verstonden onder participatie, antwoordden zij ‘actief blijven’. Om actief te blijven probeerden de jongeren taalbemiddelaars te worden met Nederlands als de belangrijkste taalstrategie. Daarmee konden ze ook toetreden tot de jongerenraad. Maar er werd geen rekening gehouden met de verschillende posities van de jongeren en die van hun jongvolwassen vrienden en hun ouders. Terwijl de jongeren naar school gingen, werd de participatie van de volwassenen juist belemmerd doordat zij bijvoorbeeld geen taallessen kregen aangeboden. Door deze participatie paradox zaten de jongeren in een loyaliteitsconflict. Uiteindelijk bleek ook dat de jongeren helemaal geen invloed konden uitoefenen op het nationale beleid of het azc beleid. Daarom trokken zij zich uiteindelijk terug uit de raad. Ze gingen weer participeren op hun eigen manier: actief blijven, als taalbemiddelaars nuttig zijn voor mensen in het azc die de taal niet spraken. Deze situatie legde de afstand bloot tussen participatie in beleid en de participatie van de jongeren in de praktijk.  

‘Wonen in Nederland, voelt als schommelen’

Jongere die heeft meegedaan aan het onderzoek van Moos: 

'Ik was vijftien en één jaar in Nederland toen het onderzoek van Moos Pozzo begon. Nu ben ik 21 jaar en ik zit in mijn tweede jaar van de opleiding hbo-bouwkunde. Ik heb een bijbaantje in een kledingwinkel. 
Wonen in Nederland voelt als schommelen. Aan de ene kant ben ik blij dat ik hier ben, aan de andere kant voelde ik me nog nooit zo eenzaam. Terwijl ik als een van de snelsten de taal heb geleerd en in een klas met veel Nederlanders zat, was ik toch te traag voor mijn klasgenoten. Ik viel buiten de sociale cirkel van de buitenlanders én de Nederlanders. 

Het was heel speciaal om deel te nemen aan dit onderzoek. Ook heel bijzonder om te zien hoe klein en compact mijn netwerk is. In mijn eerste sociale netwerk kon ik zien dat ik twee aparte werelden had. Wat minder leuk was, was om op papier te zien hoe erg ik uitgesloten en niet betrokken was bij Nederlanders. 

Het azc was voor mij een open gevangenis. Het was ver weg van de stad, van de school en van alle levende wezens. Het enige wat we hadden, was elkaar, de bewakers en een kaars die heel fel scheen: Moos!  Zij heeft ons met elkaar en met de buitenwereld verbonden. Via activiteiten én als vriendin. Dat zien we nu in dit onderzoek.

Moos noemt onze taalvernieuwingen een taalspel, maar mensen moeten goed beseffen dat er meer betekenissen en gevoelens achter zitten. Voorbeelden zijn “uitkery” voor “uitkering”, “Munier” voor “Meneer”, “Albertijn” voor “Albert Heijn” en “Ashtoeblief” voor “Alstublieft”. 

Ten slotte, taal is ontstaan om mensen met elkaar in contact te brengen, dus laat het ons niet uit elkaar halen. "Je bent in Nederland, praat maar Nederlands". Ik ben me bewust van het feit dat ik in Nederland ben, maar zijn jullie je er wel bewust van dat wij mensen zijn? Want het voelt soms alsof er een stuk van mijn identiteit wordt afgenomen.

 

Hoe verhoudt Nederlands leren zich tot integratie in de Nederlandse samenleving? 

Het integratiebeleid gaat er vanuit dat iedere vluchteling of nieuwkomer de Nederlandse taal zo snel mogelijk wil leren om te integreren in de Nederlandse samenleving. Maar in een azc is die samenleving ver weg. De jongeren leren de taal niet tússen en met Nederlanders, maar in isolement.  Moos Pozzo: 'Er wordt namelijk van ons verwacht dat we de taal leren en integreren', vertelden ze, 'maar in de praktijk worden we juist gescheiden van Nederlanders, eerst in azc’s en daarna in speciale taalprogramma’s.'

Samenleven, je ergens in kunnen voegen, elkaar verstaan en toch jezelf kunnen zijn, daar komt zoveel méér bij kijken dan alleen taal. Dat vertelt ook één van de jongeren die meedeed aan het promotieonderzoek van Moos Pozzo. (zie kader) Er is duidelijk een  verschil in instroom van nationaliteiten van de nieuwkomers in Nederland voor en na 2013. Daardoor waren er ook onderlinge verschillen tussen de jongeren qua omgang met het Nederlands in de azc’s. Jongeren die vóór 2013 kwamen in superdiverse azc’s terecht kwamen, creëerden samen een eigen taal met voornamelijk Nederlandse woorden als basis, zodat deze voor iedereen verstaanbaar was. Jongeren die na 2013 kwamen, toen de meeste mensen Arabisch spraken, creëerden onderling een, zoals Pozzo het noemt, ironisch Nederlands-Arabisch taalspel. Ironisch omdat de jongeren het Nederlands niet nodig hadden binnen het azc, maar dit toch gebruikten en opzettelijk fouten maakten om te praten als ‘domme asielzoekers’. Ze staken de draak met zichzelf op de manier waarop ze volgens het negatieve discours werden gezien door de Nederlanders. Pozzo legt uit dat dit taalspel de band tussen de jongeren verstevigde.

Samen met de jongeren 

Tijdens het onderzoek bracht Pozzo veel tijd door met de jongeren om zich zo onder te kunnen dompelen in hun leefwereld. Daardoor ontstond een diep contact en ze heeft ondertussen al heel wat huwelijken, babyshowers en andere belangrijke gebeurtenissen bijgewoond.
De jongeren zijn betrokken bij het hele onderzoeksproces, inclusief een groot deel van de data analyse. 'Wat ik wel een beetje moeilijk vond, is dat zo’n proefschrift in academisch Engels geschreven en theoretisch ingekaderd moet zijn' zegt Moos Pozzo. 'Daarom wil ik in de toekomst graag samen met jonge vluchtelingen een boek schrijven met hun verhalen, voor een breed publiek.'

Niet spreken óver, maar met….

Onlangs werd Moos Pozzo gevraagd om voor de universiteit van California in Berkeley een online presentatie te houden over het Nederlandse asielbeleid en de leefomstandigheden van kinderen en jongeren in de azc’s.  'Ik mocht een introductie geven op de film ‘a Kiss’ die daar werd vertoond op een summer school aan high school en college docenten.' De film van regisseur Nima Mohaghegh is een korte, grappig en luchtige film over drie tieners die in een azc wonen. Toen de onderzoeker presentatie aan het voorbereiden was, dacht ze: 'Dit voelt zo alsof ik ga spreken over jongeren, maar ik wil het samen mét jongeren. Ze besloot de jonge hoofdrolspeler Omar Alwan (17) bij de presentatie te betrekken, want hij wist hoe het voelde om als jonge vluchteling in Nederland te komen en zo kon de co-presentatie het verhaal van Pozzo versterken. 

Vervolg

De belangrijkste boodschap die Pozzo naar aanleiding van de uitkomsten van haar onderzoek heeft voor beleidsmakers: werk samen met de mensen waarvoor je beleid maakt. Benut hun potentieel in plaats van hen als probleem of bedreiging te zien en te behandelen.

In het najaar volgt een seminar bij de Refugee Academy in Amsterdam met de volgende titel: Inclusief beleid vanuit de belevingswereld van jonge vluchtelingen: ervaringen, impact en uitdagingen waar Moos Pozzo deze boodschap gaat onderstrepen. 

Voor meer informatie: moospozzo@gmail.com 

Geschreven door: Dilys Derksen

Foto portret Moos Pozzo door Manny Dassen