Artikel

Hoe zorgen we dat vluchtelingenvrouwen net zo vaak werk vinden als mannen?

Suzanne Bouma, senior onderzoeker Atria, reageert op KIS-onderzoek

Artikel - 8 februari 2018

Vrouwelijke vluchtelingen ondervinden meer barrières op weg naar werk dan mannelijke vluchtelingen, concludeert KIS in het rapport ‘Mind the gap’: barrières en mogelijkheden voor de arbeidsparticipatie van vluchtelingenvrouwen’. Om deze barrières te slechten, biedt het rapport vijf aanbevelingen. Goede aanbevelingen, meent Suzanne Bouma, senior onderzoeker bij Atria, het kennisinstituut voor emancipatie en vrouwengeschiedenis.

‘KIS brengt in de publicatie Mind the gap zowel interne als externe belemmeringen in beeld die vrouwelijke vluchtelingen op weg naar arbeid ondervinden’, zegt Bouma. Interne belemmeringen liggen bij de vrouw zelf. ‘In het rapport staan mogelijke belemmeringen als een traditioneel rolpatroon, een lagere opleiding, weinig werkervaring en geen netwerk. Hier zou je ook nog psychische gezondheid aan kunnen toevoegen. We weten dat vrouwen op de vlucht disproportioneel getroffen worden door geweld.’

Deel van de vrouwen richt zich in eerste instantie op toekomst van kinderen

Uit het onderzoek blijkt ook dat een deel van de vrouwelijke vluchtelingen ‘een minder duidelijke beroepsidentiteit heeft’. Dit zijn vrouwen die ‘zich veelal in eerste instantie richten op de toekomst van hun kinderen voordat zij aan hun eigen ontwikkeling denken.’ Bouma benadrukt dat deze belemmeringen lang niet voor alle vrouwen gelden. Er zijn bijvoorbeeld ook hoger opgeleide vluchtelingen met veel werkervaring en een duidelijke beroepsidentiteit. Ze pleit dan ook voor een individuele benadering van de vrouwen.

Nareizigers

De externe factoren liggen bij de begeleiding van deze vrouwen. Volgens het rapport lopen de vrouwen ‘het risico (…) dat hun traject bij de gemeente vroegtijdig wordt onderbroken of dat zij helemaal geen begeleiding ontvangen, omdat hun man een baan vindt of de begeleiding zich op de meest kansrijke persoon binnen het gezin richt.’ Ook zijn de vrouwen vaak nareizigers die later dan de man beginnen met het traject.

Bouma verduidelijkt: ‘Gemeenten richten zich vaak in eerste instantie op de bemiddeling van de man omdat deze makkelijker te bemiddelen is. Vooral omdat hij vaak eerder in Nederland is dan de vrouw. In het rapport wordt dit een ‘systematische voorkeur voor de begeleiding van de man’ genoemd. Op het moment dat hij werkt heeft, stroomt het gezin uit de bijstandsuitkering en raakt het vaak van de radar van de gemeente.’

Een gemiste kans, volgens Bouma. ‘Een lage arbeidsparticipatie betekent ook economisch afhankelijkheid, onvoldoende kennis van de Nederlandse taal en maatschappij en het ontbreken van een sociaal netwerk. Deze vrouwen lopen daarmee het risico om in isolement te verkeren. Indien er een partner is, is deze afhankelijkheid een gevaar voor de onderlinge machtsverhoudingen. We weten, helaas, dat deze zogenaamde ‘verborgen vrouwen’ ook een vergroot risico hebben om slachtoffer te worden van huiselijk of eergerelateerd geweld.

Een lage arbeidsparticipatie vergoot het risico op een sociaal isolement

De afhankelijkheid en het ontbreken van een netwerk maakt dat deze vrouwen zich hier ook moeilijk van los kunnen breken.’ Het is dus belangrijk om aan de slag te gaan op het moment dat deze vrouwen in beeld zijn. Bouma: ‘Dat was ook het credo van het rapport dat de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid (WWR) in 2015 uitbracht onder de titel: ‘Geen tijd te verliezen: van opvang naar integratie van asielmigranten’.”

Vijf aanbevelingen

Het KIS-onderzoek leidt tot vijf aanbevelingen:

  • Ga altijd gendersensitief te werk. Houd rekening met gendergerelateerde factoren en bewustzijn van eventuele (eigen) aannames over de mogelijkheden en wensen van vrouwelijke statushouders. Zonder extra ondersteuning krijgen vrouwen minder kans op werk dan mannen.
     

  • Zorg voor voldoende kennis bij persoonlijk begeleiders. Er is weinig bekend over de achtergrondkenmerken, mogelijkheden en belemmeringen van vluchtelingenvrouwen op de arbeidsmarkt. Doordat voldoende kennis ontbreekt liggen aannames gebaseerd op (stereotype) beeldvorming op de loer.
     

  • Verlies nareizigers niet uit het oog. Wanneer vrouwen als nareiziger komen, hebben gemeenten hen niet altijd direct in beeld. En bij de ondersteuning vanuit de Participatiewet ligt de nadruk vaak op het toeleiden van ten minste een van de partners richting de arbeidsmarkt, zodat het gezin niet meer uitkeringsafhankelijk is.

  • Informeren = empoweren. Het informeren van vrouwen over rechten, plichten en participatie(kansen) in de Nederlandse samenleving is een startpunt van een bewustwordingsproces van de mogelijkheden om betaald werk te verrichten.
     

  • Onderlinge versterking door samenwerking. Gemeenten, maatschappelijke organisaties, migrantenorganisaties, vrijwilligersorganisaties en andere organisaties kunnen elkaar aanvullen en versterken. Door samen te werken kan wederzijdse expertise benut worden. Organisaties die veel met vrouwen werken weten vaak het beste hoe ze te bereiken. 

Klantmanagers

‘Wij kunnen ons goed vinden in deze aanbevelingen’, zegt Bouma. Atria brengt ze al in de praktijk bij de training voor de begeleiding van vrouwelijke vluchtelingen die het kennisinstituut ontwikkelde voor klantmanagers van de gemeente Amsterdam. ‘Het belangrijkste is om een open houding aan te houden. Dat klinkt vanzelfsprekend, maar is in de praktijk toch wat ingewikkelder dan het lijkt.’

‘In de training spelen we met rollenspellen situaties uit de praktijk na. Zo laten wij de deelnemers discussiëren over de vraag wat je als vrouwelijke klantmanager moet doen als een man en vrouw samen komen en de man je weigert een hand te geven. Er ontstaat dan een geanimeerd gesprek. Moet je zoiets wel of niet accepteren? Die uitkomst is op zich niet zo belangrijk. Het gaat er namelijk om dat bijna niemand zich verdiept in de vraag waarom de man geen hand geeft. Misschien was dat wel uit respect?’

Zoek de vraag achter de vraag en win advies in bij zelforganisaties

Dat bedoelt Bouma met een open houding. ‘Zoek wat er achter zit. Zoek de vraag achter de vraag. Het antwoord achter het antwoord. Verdiep je ook in de achtergronden. Win bijvoorbeeld advies in bij zelforganisaties, zij hebben ervaring met het ondersteunen van vrouwen en kennen de cultuur.’

Dat kost soms tijd en dus geld, beaamt Bouma. Maar het betaalt zich later uit. 'Naast dat sommige vrouwen helemaal geen extra belemmeringen hebben ten opzichte van de mannelijke vluchtelingen, kunnen belemmeringen door aandacht en tijd ook weggehaald worden. Deze vrouwen raken anders uit beeld, om vervolgens later weer op te duiken in bijvoorbeeld de vrouwenopvang, schuldhulpverlening of de geestelijke gezondheidszorg. Dat kost uiteindelijk ook heel veel geld.’

Thema: 

Anderen bekeken ook

Vrouwelijke vluchtelingen komen lastiger aan het werk dan mannelijke vluchtelingen. Om meer inzicht te krijgen in de belemmerende factoren en de rol van gemeenten deed KIS een verkennend onderzoek. 

Reacties

Besten, Ik ben wethouder in Zaanstad oa op integratie en dienstverlening. Wij hebben hier in Zaansted bewust gekozen om vluchtelingen vrouwen aan een baan te helpen. Wij laten hen werkervaring opdoen bij de archiefafdeling en dat werkt totnutoe toe erg goed. Ook via New Bees wordt ingezet op vrouwen en werk. Ik kan deze organisatie aanbevelen.

Wat goed om te horen dat jullie hier al bewust mee bezig zijn, dat houden we in ons achterhoofd!

Een Noord-Afrikaanse jobcoach (m) in dienst van een grote gemeente was neerbuigend (of was het regelrechte discriminatie?) tegen een Aziatische jonge vrouw. In een één-op-één gesprek, dus een klacht indienen heeft geen zin. Een Aziatische jobcoach (m) babbelde er luchtig op los in de gemeenschappelijke landstaal, maar gaf nooit een werkbare suggestie. De Nederlandse klantmanager (m) zei elke keer "wat een goed idee" als mijn pupil of ik een nieuwe suggestie deed. In het vervolggesprek zei hij telkens dat hij van zijn chef geen toestemming mocht geven. Het schiet niet erg op als de klantmanager het beleid van de afdeling niet kent..... In mijn woongemeente is er een prachtig beleidsverhaal van circa 75 pagina's, maar het lukt (.....) niet om statushouders al in het AZC te benaderen. Nu ben ik zelf vrijwillig studie/job-coach, maar kan helaas slechte enkele vrouwen tegelijk helpen.

Nog een reactie: Drie ROC's zeiden tegen een jonge vrouw (26, later 27 jaar) dat zij te oud was om te worden toegelaten tot de BOL-opleiding. Eén ROC zei dat taalniveau B1 niet genoeg is. Vreemd...... Het recht op aanvragen van DUO-studiefinanciering geldt tot 30 jaar. In NT2/DUO-informatie wordt vermeld dat B1 voldoende basis is voor een Mbo-opleiding. Gelukkig is mijn pupil een doorzetster, heeft ze doorgeleerd naar B2 en volgt ze ergens verder weg een Mbo-opleiding, vond ze (met veel moeite en ook vragen over haar hoofddoek) een stageplaats waarin ze wordt uitgebuit als gratis vakantiekracht, en heeft ze een positief contact met een winkel voor een zaterdagbaantje.

Nog een zure reactie. Asielzoekers mogen na een tijdje, ook als ze nog in het AZC wachten op afronden van de procedure, al werken. 26 weken per jaar op basis van afzonderlijke verblijfsvergunning. Ik heb van al "mijn" pupillen nog nooit gehoord dat er iemand (COA, VWN, vrijwilligers) voorlichting over geeft. weet een asielzoeker toch dat het mogelijk is. Als hij daarover info vraag (COA, VWN, Vrijwilligers), hoort zij steevast ontmoedigende (echt waar !!!, ook al zei directeur COA vorig jaar "Ik herken ons daarin niet") antwoorden, soms met de suggestie om zwart werk te zoeken.

Dank voor uw reactie. Wat vervelend dat de vrouwen in de gemeente waar u werkt zo'n nare ervaring hadden. Het is inderdaad belangrijk dat vrouwen weten wat hun rechten zijn (bijvoorbeeld dat je in het AZC al kan werken), en een van onze aanbevelingen is ook te zorgen dat dergelijke informatie bij hen terechtkomt.

Reageer