Jongeren van niet-westerse herkomst zijn opvallend vaker werkloos dan jongeren van Nederlandse komaf. In 2015 is 8,8% van de autochtone jongeren werkloos tegenover 21,5% van de jongeren van niet-westerse herkomst. De nieuwe factsheet Jeugdwerkloosheid naar herkomst van Kennisplatform Integratie & Samenleving bundelt cijfers van 2010 tot medio 2015.

De werkloosheidspercentages verschillen sterk tussen verschillende groepen Nederlandse jongeren. Autochtone jongeren hebben over de gehele periode 2010 tot 2015 de laagste werkloosheidspercentages. Bij jongeren van westerse afkomst ligt dit iets hoger, maar is nog steeds relatief laag ten opzichte van de andere groepen. Voor Nederlandse jongeren van Marokkaanse, Turkse, Surinaamse, Antilliaanse en Arubaanse herkomst liggen de werkloosheidspercentages aanzienlijk hoger. Dit geldt ook voor jongeren die onder de categorie ‘overig niet-westers’ vallen. Deze laatste groep vertoont in de eerste helft van 2015, tegen de trend in, een opvallende stijging in werkloosheid. Met overig niet-westers worden jongeren uit Afrika (exclusief Marokko), Midden- en Zuid-Amerika (exclusief Suriname en de Antillen) en Azië (exclusief Turkije, Indonesië en Japan) bedoeld. Het is niet precies duidelijk waar deze stijging door wordt veroorzaakt.

Werkloosheidspercentage onder jongeren naar herkomst:

figuur jeugdwerkloosheid
Bron: CBS, 2015

Waarom zijn jongeren van niet-westerse herkomst vaker werkloos?

De volgende factoren kunnen een rol spelen:

1. Lagere opleiding

Leerlingen van niet-westerse herkomst scoren gemiddeld genomen lager op de Cito-toets dan autochtone jongeren voor taal, rekenen en studievaardigheden. Deze trend zet zich ook voort op middelbare scholen en vervolgonderwijs. Uit onderzoek blijkt bijvoorbeeld dat 12,4% van de Marokkaans-Nederlandse leerlingen deelneemt aan het hoger onderwijs, tegenover een gemiddelde van 30,8% onder jongeren in Nederland .Ditzelfde geldt voor Antilliaans-Nederlandse leerlingen. Met een percentage van 20,6% is ook deze groep ondervertegenwoordigd binnen het hoger onderwijs.

2. Minder en andere netwerken

Het netwerk van jongeren van niet-westerse herkomst is vaak minder uitgebreid dan het netwerk van autochtone jongeren. Jongeren van niet-westerse afkomst vertonen soms minder efficiënt zoekgedrag, doordat zij vaak hun contacten zoeken in de eigen etnische groep. Werkgevers benutten dergelijke netwerken nauwelijks, waardoor zij de doelgroep van niet-westerse herkomst minder goed bereiken. Daarnaast maken werkgevers bij hun zoektocht naar werknemers steeds vaker gebruik van niet-traditionele kanalen al LinkedIn. Jongeren van niet-westerse herkomst maken hier echter relatief weinig gebruik van.

3. Discriminatie

Werkgevers schatten de arbeidsprestaties van jongeren van niet-westerse herkomst vaak lager in dan die van autochtone jongeren. In combinatie met een gemiddeld genomen lager opleidingsniveau biedt dit in een ruime arbeidsmarkt werkgevers de mogelijkheid om scherp te selecteren. Jongeren van niet-westerse herkomst worden minder vaak uitgenodigd voor een vervolggesprek dan autochtone jongeren, zonder dat er een verschil bestaat in opleiding of ervaring. Ook hebben zij meer moeite met het vinden van een stage. Daarnaast lijkt er bij werkgevers een bepaalde hiërarchie te zijn in de voorkeur voor jongeren van een bepaalde herkomst, waarbij jongeren met een Marokkaanse achtergrond vaak onderaan de lijst staan.

4. Studiekeuze met een minder goed arbeidsmarktperspectief

Jongeren van niet-westerse herkomst kiezen vaker een opleiding die minder goed aansluit op de arbeidsmarkt. Zowel binnen het mbo als het hbo kiest bijna de helft voor een economische of sociaal-culturele studie. Dit geldt voor ongeveer 28 procent van de autochtone jongeren op het mbo en 36 procent op het hbo. De arbeidsmarktperspectieven liggen voor deze sectoren op dit moment echter laag.

5. Werkervaring en arbeidsmarktvaardigheden

Jongeren van niet-westerse herkomst doen over het algemeen minder werkervaring op tijdens hun studie dan autochtone jongeren. Ze hebben bijvoorbeeld minder vaak bijbaantjes. Ook kiezen jongeren van niet-westerse herkomst binnen het mbo vaker voor een bol-opleiding dan voor een bbl-opleiding. Het verschil tussen deze opleidingen is dat een bol-opleiding alleen werkervaring biedt via een stage, terwijl een bbl-opleiding gedurende de hele opleiding een combinatie van werken en leren aanbiedt. Jongeren met een bbl-opleiding vinden gemiddeld genomen eerder een baan dan jongeren met een bol-opleiding. 

Ook spelen zogenaamde soft skills en arbeidsmarktvaardigheden een belangrijke rol bij het vinden van een baan. Dit zijn sociale vaardigheden die grotendeels voortkomen uit cultuurnormen en gedragsregels. Het gaat hierbij onder andere om het vertonen van assertief en punctueel gedrag tijdens een sollicitatiegesprek, en het presenteren en uitdrukken van jezelf. Jongeren van niet-westerse herkomst zijn vaak minder bekend zijn met de specifieke cultuur die op de werkvloer heerst. Hierdoor ontstaat er een ‘culturele mismatch’ tussen de (autochtone) werkgever en de niet-westerse sollicitant. Daarnaast kan taalachterstand een rol spelen.

Deze tekst is overgenomen uit de factsheet Jeugdwerkloosheid naar herkomst. Heeft u nog vragen over deze cijfers? Neem contact op met Hans Bellaart via hbellaart@verwey-jonker.nl.

 

Anderen bekeken ook

Jouw bijdrage

13 + 2 =
Geef het antwoord op deze rekenoefening. Voorbeeld voor 1+3: voer 4 in.