Kinderen met een niet-westerse migratieachtergrond groeien bijna zes keer zo vaak in armoede op als hun leeftijdgenoten met een Nederlandse achtergrond. Dat komt naar voren uit onderzoek van KIS. Voor deze kinderen is ander, specifiek beleid nodig.

Sinds 2002 wordt via het databoek Kinderen in Tel (KIT) elke twee jaar de leefomstandigheden van kinderen in beeld gebracht. De kracht van dit databoek is dat het met een beperkt aantal indicatoren een beeld schetst van de leefsituatie van kinderen. Met de verzamelde feiten en cijfers over kinderen in armoede, kinderen in eenoudergezinnen, jeugdwerkloosheid en jeugdzorg hebben belangenbehartigers iets stevigs in handen om bij de beleidsmakers aan te dringen op aanpassing of wijziging van het gevoerde beleid. Voor KIS zijn deze gegevens nu uitgesplitst naar migratieachtergrond. Hard nodig, want 17 procent van de jeugd tot 20 jaar in ons land heeft een niet-westerse migratieachtergrond en blijkt vaak kwetsbaar.

Groter risico op leven in armoede

Opvallend is dat jeugdigen met een niet-westerse migratieachtergrond in 2015 bijna zes keer zo vaak opgroeien in armoede als jeugdigen met een Nederlandse achtergrond. Van de groep 0 tot en met 17-jarigen leefden 225 duizend kinderen - ruim 6 procent van het totaal – in een gezin dat rond moest komen van een bijstandsuitkering. Het armoederisico is het grootst onder kinderen met een Antilliaanse, Marokkaanse en overige niet-westerse achtergrond.

In armoede opgroeien, blijft niet zonder gevolgen: het isoleert en belemmert kinderen in hun ontwikkelings- en opleidingskansen en beïnvloedt hun gezondheid negatief. Ook vanuit integratieperspectief is deze situatie ongewenst, armoede blijkt namelijk tot lage participatie in de samenleving te leiden.

Vaker eenoudergezinnen

Een kind dat opgroeit in een eenoudergezin loopt een groter risico op een jeugd in armoede dan een kind in een tweeoudergezin. Ruwweg groeien jeugdigen met een niet-westerse achtergrond bijna twee keer zo vaak op in een eenoudergezin als jeugdigen met een Nederlandse achtergrond, ongeveer 13 procent tegenover ruim 25 procent. Daarbij moet wel worden bedacht dat er ook tussen groepen niet-westerse migranten grote verschillen bestaan: waar 47 procent van de kinderen van Antilliaanse afkomst in een eenoudergezin leeft, is dat bij Turkse kinderen niet meer dan 16 procent.

Op zichzelf beschouwd is het eenoudergezin niet problematisch voor de ontwikkeling van een kind. Wel bestaat er risico op een slechtere financiële situatie. En armoede, zo is geconstateerd, heeft negatieve gevolgen voor de ontwikkeling van het kind.

Armoede heeft negatieve gevolgen voor ontwikkeling kind

Aanzienlijke verschillen in jeugdwerkloosheid

Ook bij de derde indicator – jeugdwerkloosheid – bestaat een groot verschil tussen de leefsituatie van kinderen met een Nederlandse achtergrond en die van kinderen met een niet-westerse migratieachtergrond. Vooral jongeren tussen 15 tot 22 jaar met een niet-westerse migratieachtergrond zijn werkloos (3,4 procent). Terwijl bij hun leeftijdsgenoten van Nederlandse herkomst dat percentage op bijna 0,9 procent ligt. Het verschil kan worden verklaard door de gemiddeld lagere opleiding, kleinere netwerken, studiekeuze, werkervaring en de (sociale) vaardigheden van jongeren met een niet-westerse migratieachtergrond. Daarnaast speelt discriminatie door werkgevers een rol.

Minder 'lichte' jeugdhulp

De laatste indicator waarmee de leefsituatie van kinderen wordt geschetst, gaat over de jeugdzorg. Opvallend is dat de jongeren met een migratieachtergrond minder dan gemiddeld gebruikmaken van de jeugdhulp, ondanks dat ze wel meer risico lopen op 'probleemgedrag'. In cijfers uitgedrukt: het gemiddelde gebruik onder jongeren bedraagt 9,3 procent, voor jongeren met een migratieachtergrond is dat 8,6 procent. Deze jongeren maken met name niet vaker gebruik van de wijkteams en de jeugd-ggz. Ze hebben daarentegen wel vaker te maken met zwaardere vormen van jeugdhulp, zoals de jeugdreclassering of jeugdbescherming. Toegankelijkheid van ‘lichtere’ voorzieningen is een relevant aandachtspunt.

'Het valt op dat vooral bij jeugd met een Antilliaanse achtergrond een cumulatie van minder goede leefomstandigheden is'

Ook hier geldt dat er tussen de verschillende herkomstgroepen grote verschillen bestaan: 15,5 procent van jongeren met een Antilliaanse of Arubaanse achtergrond doet een beroep op jeugdzorg tegenover 5,7 procent van de Turks-Nederlandse jongeren.

Maatregelen

Er blijken dus grote verschillen in de omstandigheden waarin kinderen opgroeien. KIS-onderzoeker Hans Bellaart: ´Het valt op dat vooral bij jeugd met een Antilliaanse achtergrond een cumulatie van minder goede leefomstandigheden is: veel eenoudergezinnen, grote armoede, hoge jeugdwerkloosheid en veel gebruik van jeugdzorg. De cijfers zijn voor deze groep op al die gebieden het meest zorgwekkend.´

Die zorg kan alleen worden weggenomen als de verschillen tussen álle kinderen, met of zonder een migratieachtergrond, worden verkleind. Dat veronderstelt dat beleidsmakers meer oog moeten krijgen voor de specifieke risico’s van kinderen met een migratieachtergrond en maatregelen nemen om de leefomstandigheden van deze kinderen daadwerkelijk te verbeteren.

Anderen bekeken ook

Jouw bijdrage

1 + 3 =
Geef het antwoord op deze rekenoefening. Voorbeeld voor 1+3: voer 4 in.