Vrijwel geen enkele school wil discriminatie en racisme op de school. Maar toch is het er wel: kinderen hebben vaak al op jonge leeftijd vooroordelen weten we uit onderzoek. Inzetten op het verminderen van vooroordelen en voorkomen van discriminatie en racisme onder leerlingen is dus geen luxe maar noodzaak. Het past ook bij de nieuwe wet burgerschap. In deze ‘longread’ maken KIS-onderzoekers Hanneke Felten en René Broekroelofs de balans op: zij beschrijven wat er goed gaat in het tegengaan van discriminatie door leerlingen in het basisonderwijs maar ook wat de mogelijke risico’s zijn van de huidige aanpakken en wat dus nog beter kan.

Over het onderzoek

KIS deed afgelopen jaar onderzoek naar antidiscriminatie-leermiddelen (zoals lespakketten, gastlessen, filmpjes, games, boekjes etc.) op basisscholen: er werd een overzicht ontwikkeld van alle beschikbare leermiddelen en er werden 19 mensen geïnterviewd die een aanbod hebben voor basisscholen op dit terrein: dat zijn onder andere zzp’ers, diverse stichtingen en antidiscriminatiebureaus. Ook ontwikkelde KIS met Stichting School & Veiligheid een tool voor het basisonderwijs over de aanpak van discriminatie. Eerder al deed KIS onderzoek naar wat werkt in het verminderen van vooroordelen van kinderen. Vanuit die onderzoeken en projecten reflecteren we op in dit artikel op specifiek de leermiddelen die ingezet worden voor leerlingen gericht op het tegengaan van discriminatie: we kijken naar of en hoe deze de school binnenkomen maar ook naar mogelijke effecten. We benoemen de sterke punten wanneer we kijken naar deze leermiddelen vanuit het oogpunt van effectiviteit maar beschrijven ook wat de mogelijk risico’s zijn van de huidige aanpakken. Deze analyse maken we op basis van de kennis over wat werkt in de aanpak van discriminatie, over wat werkt tegen institutioneel racisme en wat werkt in het doceren over het slavernij- en kolonisatieverleden vanuit een niet-eurocentrisch perspectief. Ook geven we tips voor verbetering voor zowel overheden als de ontwikkelaars van de leermiddelen.

Discriminatie aanpakken op een school gebeurt idealiter op verschillende niveaus:
  • op het niveau van de leerlingen (en het lesmateriaal dat ze krijgen aangeboden)
  • op het niveau van de docenten
  • op het niveau van het management

Het niveau van de leerlingen gaat zowel over de vraag of (1) het lesmateriaal (van de rekenles tot de aardrijkskundeles) inclusief (en niet stereotiep) is, als over de vraag (2) of en hoe er les wordt gegeven over discriminatie en racisme. Over deze laatste vraag gaat dit artikel.

Moeilijk binnenkomen op scholen

Het aanbod voor basisscholen is groot. KIS telde meer dan 30 lespakketten, gastlessen, games en andere leermiddelen die op dit terrein worden aangeboden. Alhoewel er dus genoeg keuze is voor scholen ervaren veel aanbieders van antidiscriminatie-leermiddelen dat het moeilijk is om basisscholen ervan te overtuigen dat het belangrijk is om aandacht te besteden aan het thema. Het verminderen van discriminatie is een thema waar helaas lang niet alle scholen het belang van inzien voor hun eigen school (‘we hebben hier geen racisme’). Een aanbieder vertelt:

‘Als het docententeam zelf bijvoorbeeld niet divers is, dan horen of zien ze bepaalde dingen die tussen hun leerlingen gebeuren ook vaak niet. Dus dan lijkt het dat het [discriminatie] er niet speelt bijvoorbeeld, terwijl dat misschien onder leerlingen degelijk wel speelt maar docenten het gewoon niet zien.’

 

Een andere reden die door de aanbieders wordt genoemd waarom het lastig is om scholen ‘binnen te komen' is omdat er vaak geen tijd en voldoende geld is bij scholen om hier leermiddelen zoals gastlessen op in te kopen. Het aanbod van verschillende aanbieders is ook vaak niet bekend. Hierdoor gaat er soms veel tijd zitten bij de aanbieders in het benaderen van scholen en het bekend maken van het aanbod. Scholen spelen vooral in op incidenten en benaderen pas bijvoorbeeld een antidiscriminatiebureau als er een incident is geweest.

‘Het is wel heel vaak dat scholen ons pas benaderen als er iets gebeurd is, want als wij hun benaderen dan is het “oh nee geen prioriteit”, “wij hebben hier geen tijd voor”, “er speelt niks op onze school”.’

 

Toch zijn sommige aanbieders goed in staat om vele scholen en docenten te bereiken: zo doen bijvoorbeeld duizenden scholen met aan de Week van respect van de Respect Education Foundation. Een ander voorbeeld is de succesvolle Paarse Vrijdag (‘Jezelf zijn is een feestje en een feestje moet je vieren’) waar naast middelbare scholen nu ook al zo’n vijfhonderd basisscholen aan meedoen. Mogelijk komt dit door de positieve ‘framing’ van deze initiatieven: doordat een deel van de basisscholen denkt dat discriminatie niet speelt, labelen aanbieders hun aanbod voor scholen dus om een andere (meer positieve) manier die meer aanslaat bij de scholen.

Nu nog vaak niet over discriminatie en racisme maar over vooroordelen en respect

In veel leermiddelen die worden aangeboden aan scholen is het uitgangspunt dat iedereen vooroordelen heeft en dat er verschillende vooroordelen zijn op basis van onder andere afkomst, religie, sekse, seksuele voorkeur, beperking etc. Veel leermiddelen op het terrein van antidiscriminatie zijn dus in zekere mate intersectioneel en dat beschouwt KIS zeker als winst. De lessen gaan vaak over respectvol met elkaar omgaan, ook al je verschilt van elkaar. Daarnaast gaan ze vaak over verschillen en overeenkomsten en meningsvorming over die verschillen in verhouding tot wie het kind zelf is. Lessen over vooroordelen lijken daardoor veel overeenkomsten te vertonen met lessen die gaan over pesten: gesproken wordt over hoe iedereen wel eens wordt uitgesloten en negatief behandeld op basis van eigenschappen die er niet te doen zoals het hebben van rood haar. Zo vertelt een van de aanbieders:

‘Ik merk ook dat de basisscholen ook behoefte hebben aan meer informatie over bijvoorbeeld pesten, cyberpesten, wat doet dat met iemand? Nou, daar ga je ook op in bijvoorbeeld, of vooroordelen, maar ook hè iedereen is anders, maar we zijn allemaal gelijk. Dus dat zijn eigenlijk aanpalende thema’s, die je dan met elkaar bespreekbaar maakt. En dan noem je op het gegeven moment discriminatie, maar het voert, laat maar zeggen, niet de hoofdtoon.’

 

Het thema pesten maakt het thema discriminatie dus makkelijker bespreekbaar en het wordt dichter bij de leefwereld van verschillende kinderen gebracht. Een sterke aanpak dus maar als KIS-onderzoekers signaleren we ook een mogelijk risico: in deze aanpak wordt er mogelijk te weinig aandacht besteed aan de structurele machtsongelijkheid in de samenleving die zich met name voltrekt via assen van onder meer afkomst, religie, sekse, genderidentiteit en seksuele voorkeur en niet bijvoorbeeld op grond van het hebben van rood haar. In die zin zijn veel interventies dus nog niet intersectioneel; ze besteden wel aandacht aan verschillende vormen van discriminatie en de combinatie ervan maar hebben nog lang niet altijd oog voor verschillen in macht, wat ook juist bij een intersectionele aanpak hoort. Inmiddels zijn er wel een aantal vrij nieuwe lespakketten voor basisscholen waarin de thema’s discriminatie en bijvoorbeeld racisme of LHBT-discriminatie wel expliciet worden behandeld met kinderen (zie overzicht); misschien dat hier langzaam een kentering in komt door onder meer de Black Lives Matter beweging.

Aansluiten bij de ontwikkeling van kinderen

Aanbieders van leermiddelen voor basisscholen op het terrein van antidiscriminatie bieden daarnaast vaak ook educatiemiddelen aan op dit gebied van volwassenen zoals voor docenten of voor bedrijven. Er is ook enige overlap in wat er aangeboden wordt voor kinderen en wat er aangeboden wordt voor volwassenen. Dat is enerzijds te beschouwen als een positief punt: het gaat dan namelijk om aanbieders die vertrouwd zijn met de thematiek van discriminatie, hier expert op zijn en hier veel ervaring hebben. Maar anderzijds roept ook de vraag of er voldoende wordt aangesloten bij de specifieke ontwikkeling van kinderen. Zo worden er bijvoorbeeld lessen gegeven aan kinderen die gericht zijn op bewustwording stimuleren bij kinderen van hun onbewuste eigen vooroordelen en stereotypen. Voor sommige volwassenen is dat een aanpak die soms kan werken, maar voor kinderen is het (net als voor pubers) niet aannemelijk dat dit werkt: wanneer kinderen leren dat zij zelf vooroordelen en stereotiepe denken, dan hebben zij hier nog niet veel aan omdat zij nog niet hun eigen gedrag op basis hiervan kunnen bijsturen. Dat vraagt immers veel zelfreflectie en zelfcontrole en is van kinderen vaak te veel gevraagd. Een ander voorbeeld is dat veel aanbieders inzetten op kritisch denken en zelfreflectie. Met als doel om hun te leren om niet alles voor waar aan te nemen. Op zich een goede gedachte, maar het is nog onbekend of dit daadwerkelijk een bijdrage levert aan minder vooroordelen.

Aandachtspunt voor de toekomst is dus om te bekijken hoe de aanbieders van antidiscriminatie-leermiddelen meer gebruik kunnen maken van de kennis over de sociaal-emotionele en cognitieve ontwikkeling van kinderen in de ontwikkeling van hun leermiddelen en hoe zij hierop beter kunnen inspelen. Een voorbeeld van een interventie waarin dit al gebeurt is Playground Heroes.

Stockfoto: kinderen met de handen op elkaar

Oog voor de geschiedenis van racisme en doorwerking op het heden

Een positieve ontwikkeling die KIS signaleert: een aantal nieuwe leermiddelen die worden aangeboden voor het onderwijs op het terrein van antidiscriminatie besteden aandacht aan de geschiedenis van racisme en hoe deze doorwerkt in het heden. Dat is relevant omdat we weten uit wetenschappelijke studies dat doceren op scholen over de geschiedenis van slavernij en kolonisatie een verandering van kennis en houding teweeg lijkt te brengen bij leerlingen.

Een aanbod op dit terrein voor basisscholen komt onder meer van het Tropeninstituut, Nederland wordt beter, Musea bekennen kleur en Educatiestudio: zij bieden educatie over het slavernijverleden maar laten ook zien hoe dit doorwerkt in de huidige samenleving. Al langere tijd wordt dit op eenzelfde manier gedaan door de Anne Frank Stichting die met verschillende leermiddelen aandacht vraagt voor zowel het verleden als het heden. Mogelijk kunnen er in de toekomst meer samenwerkingen ontstaan tussen verschillende aanbieders van leermiddelen waardoor de historie vaker wordt meegenomen in antidiscriminatie-leermiddelen; zo wordt ook duidelijker dat - anders dan bij pesten het geval kan zijn - het niet gaat om uitsluiting op willekeurige of toevallige gronden maar om een uitsluiting die al eeuwenoud is en nog doorwerkt in het heden.

Ontmoeting: inleving stimuleren

Een andere positieve ontwikkeling is volgens KIS dat er steeds meer aanbod is voor basisscholen dat niet alleen gericht is om leren over dat iedereen vooroordelen heeft maar dat ook daadwerkelijk vooroordelen vermindert door inleving te stimuleren bij kinderen; uit onderzoek weten we namelijk dat wanneer kinderen zich leren inleven in kinderen die gediscrimineerd worden, dat zij hierdoor hun vooroordelen kunnen verminderen. De aanbieders merken dit ook in de praktijk:

‘Ik denk dat die ontmoeting, dat dat héél belangrijk is. Je kan zelf wel een verhaal vertellen en ik merk ook wel dat mensen ook wel luisteren als ik een verhaal vertel, maar als ik een gast introduceer die met zijn of eigen, zijn of haar eigen verhaal komt en uit eigen ervaring dingen deelt met leerlingen, dan zie je gewoon echt iets veranderen in zo’n klas. Als je ook leerlingen in staat stelt om, ja gewoon hun vragen bij zo’n persoon neer te leggen en ook echt alles te kúnnen vragen maar ook vragen terugkrijgen dat dat, dat dat gewoon héél goed werkt.’

 

Er zijn diverse leermiddelen beschikbaar die gericht zijn op het bevorderen van inleving en empathie; bijvoorbeeld gastlessen van iemand die uit een oorlog gevlucht is en vertelt over het eigen leven zoals van Vluchtelingenwerk of de peer-educators van Diversion die hun eigen verhaal vertellen maar tegelijkertijd een rolmodel voor de leerlingen zijn. Maar er zijn ook methodes die zorgen voor ontmoetingen tussen kinderen die een verschillende culturele en etnische achtergrond hebben zoals de interventie Welkom in mijn wijk. En er zijn ook boeken (bijvoorbeeld via de Lefkist van Schiedams Lef) en films beschikbaar waardoor kinderen zich gaan inleven in iemand waar ze mogelijk eerder vooroordelen over hadden.

Een punt van zorg is dat sommige gastdocenten ook kinderen uit de klas stimuleren om zelf iets te vertellen over hun discriminatie ervaringen met onder meer als doel dat andere kinderen zich kunnen inleven hierin. Hier kleven echter risico’s aan: het kan voor kinderen erg pijnlijk zijn om hun ervaringen met discriminatie te vertellen. In een klas is vaak ook geen mogelijkheid om een kind hierin te steunen en te helpen. Ook is er geen regie over het type reacties van andere kinderen op de verhalen die worden gedeeld; deze reacties kunnen problematisch en pijnlijk zijn. Aandachtspunt is dus om niet zozeer kinderen zelf, maar ervaren gastsprekers of films en boeken te vragen hun ervaringen met discriminatie te delen om zo inleving te stimuleren en vooroordelen te verminderen.

Het goede voorbeeld geven

Er zijn ook verschillende leermiddelen waarin leerlingen zien wat het goede voorbeeld is. Ze zien hoe andere mensen, die onderling verschillen van elkaar, op een positieve manier met elkaar omgaan. Bijvoorbeeld in het boekje Waar is Zonnie van de Anne Frank Stichting over vriendschappen tussen kinderen die verschillend zijn. Ook de peer-educators van Diversion in Gelijk=Gelijk geven het goede voorbeeld aan de leerlingen: zij laten zien dat iemand die joods is, iemand die moslim is en iemand die homo is prima samen door één deur kunnen. En dat is zeer positief want uit onderzoek weten we dat kinderen leren van goede voorbeelden en dat dit een effectieve manier is om discriminerend gedrag onder kinderen terug te dringen.

Een leuke les: een kracht en soms een valkuil?

Wat opvalt in de leermiddelen die er zijn op het gebied van antidiscriminatie voor basisscholen is dat ze erg interactief zijn. Er zitten veel spelletjes tussen en leerlingen hoeven vaak niet de hele les op hun stoel te blijven zitten. Een voorbeeld is de vooroordelenkoffer die door verschillende antidiscriminatiebureaus wordt ingezet in de lessen voor basisscholen: in de lessen gaan de leerlingen spelenderwijs aan de slag met het thema. Een aanbieder vertelt:

‘En als je het interactief maakt en ze zelf aan de slag laat gaan, dan zie je dat ze het leuk vinden, dan zie je dat ze belangstelling hebben. Ze willen graag naar de volgende opdracht, ze willen overleggen met elkaar, ze vinden het leuk om te ontdekken waarom anderen er anders over kunnen denken. Dus het is doordat het actief is, spreekt het volgens mij meer aan.’

 

Een relatief zwaar thema als discriminatie, weten veel gastdocenten dus op een interactieve en aantrekkelijke manier te behandelen met basisschooldocenten waardoor leerlingen actief meedoen. En dat is positief want als je actief meedoet, leer je waarschijnlijk vaak veel meer dan wanneer je passief luistert.

Een mogelijk aandachtspunt is hierbij de vraag of de ernst van discriminatie hierdoor altijd voldoende 'binnenkomt' bij de leerlingen. Belangrijk is natuurlijk dat leerlingen goed meedoen maar nog belangrijker is dat hen bijblijft dat een ander discrimineren geen spelletje is.

De vooroordelenkoffer

We hebben een aantal leerkrachten gesproken over de vooroordelenkoffer. Deze methode bestaat uit een fysieke koffer met opdrachten, de leerlingen lopen een parcours af in duo’s om de opdrachten uit te voeren. Zo gaan de leerlingen in gesprek over verschillende onderwerpen die te maken hebben met discriminatie en vooroordelen. Een van de leerkrachten die we hebben gesproken voert de methoden zelfstandig uit, andere laten het uitvoeren door bijvoorbeeld een medewerker van een adv (antidiscriminatievoorziening). Op sommige scholen wordt de vooroordelenkoffer gecombineerd met een ontmoeting. Dan worden er twee scholen aan elkaar gekoppeld. De leerlingen schrijven elkaar een brief en het parcours wordt dan in duo’s van twee verschillende scholen uitgevoerd. De meerwaarde hiervan is dat dit vaak twee verschillende scholen zijn. Bijvoorbeeld een school met voornamelijk kinderen zonder migratieachtergrond (witte kinderen) en een school met voornamelijk kinderen met een migratieachtergrond en/of kinderen van kleur.

Tevredenheid

De docenten die we hebben gesproken zijn over het algemeen tevreden over de lesmethode. Leerkrachten vinden de methode vooral makkelijk uit te voeren, maar dat die ook goed aanpasbaar is.

‘Het is een hulpmiddel, op een vrij eenvoudige manier. Ik weet net hoe die kaarten gemaakt zijn. Het is makkelijke manier. Om het gesprek te voeren, ik hoef het alleen klaar te zetten.’

Ervaren effecten

Leerkrachten merken vooral dat de les voor sterke sociale normen zorgen. Als er iets gebeurt dan kan de leerkracht teruggrijpen op de les met de vooroordelen koffer, ook kinderen corrigeren elkaar soms aan de hand van wat zij geleerd hebben tijdens de les met de vooroordelen koffer.

'… dan is het ow ja weet je nog. Of als er iemand op bezoek komt, dat ze elkaar ook gaan corrigeren, dat ze zich bewust zijn van he je hebt dit gezegd, maar je kan het ook andere benoemen, blijft best wel hangen.'

Volgens de leerkrachten zorgt de les vooral voor bewustwording, leren de kinderen luisteren, discussiëren, worden ze bekender met andere culturen en gewoonten en leren ze dingen vanuit verschillende perspectieven te bekijken.

Tips en behoefte

De gesproken leerkrachten hebben een paar tips meegegeven. Ze benadrukken vooral de meerwaarde van de uitwisseling met de andere school. Daarnaast zou een enkele leerkracht meer informatie willen hebben over verschillende culturen en religies, is er behoefte aan duiding in welke andere methodes betrouwbaar zijn en tot slot vindt een leerkracht het belangrijk dat deze thema’s al besproken worden op de pabo zodat zij als docenten hier goed op voorbereid zijn.

Voor - en nadelen van een gastdocent

Verschillende aanbieders benadrukken het belang van een gastdocent omdat ze merken dat docenten zelf het vaak lastig vinden om het thema bespreekbaar te maken. Een gastdocent geeft ook extra ‘schwung’ aan de lessen, zo wordt opgemerkt; omdat er iemand anders voor de klas komt, is de les extra ‘speciaal’ voor de leerlingen. Een mogelijk nadeel dat wordt genoemd is dat het slechts bij één les blijft waardoor het niet geborgd wordt in de het hele curriculum. Een methode als de Vreedzame school voorziet hierin door een totaalpakket aan te bieden aan scholen. De aanbieders van lespakketten voor docenten kiezen daarom juist vaak voor deze insteek. Een mogelijk nadeel hiervan is dat docenten nog niet altijd de juiste vaardigheden in huis hebben. De aanbieders merken op dat docenten soms te weinig bagage hebben meegekregen op dit terrein:

‘Maar ik vind het wel heel erg belangrijk dat er binnen scholen veel aandacht voor is en dat leraren erin getraind worden. Een voorbeeld wat we in een training doen; het gebeurt best wel snel dat je stereo-typebevestigend gedrag hebt. Als je iemand hebt met een spraakprobleem, dat je dan gaat helpen zijn of haar zinnen af te maken. Maar daarmee bevestig je eigenlijk dat iemand niet kan praten. Dat klinkt misschien erg zacht; je wil iemand helpen maar het helpt niet voor die leerling zelf.’

 

Bijscholing of aandacht op de pabo voor het thema discriminatie wordt dan ook vaak genoemd door de aanbieders van antidiscriminatie-leermiddelen als noodzakelijk.

De tips op een rij voor aanbieders

Samengevat komen uit de onderzoeken die KIS heeft gedaan de volgende tips naar voren voor aanbieders van leermiddelen (gastlessen, lespakketten, games, boekjes etc.) gericht op antidiscriminatie naar voren:

  1. Besteed aandacht aan specifieke, veel voorkomende vormen discriminatie zoals racisme en behandel dit thema expliciet; zowel in het heden als in het verleden.
  2. Sluit aan bij de ontwikkeling van kinderen: dat wat werkt voor volwassenen werkt niet automatisch ook voor kinderen.
  3. Vraag kinderen niet naar hun discriminatie-ervaringen maar zet professionele sprekers in om inleving en empathie ten aanzien van gediscrimineerde groepen in de samenleving te bevorderen
  4. Behoud de leuke interactieve elementen van de leermiddelen; dat maakt deze waarschijnlijk succesvol! Maar let op dat het ‘leuk zijn’ niet een doel ‘an sich’ wordt; het belangrijkste doel is dat kinderen hun vooroordelen verminderen en minder discrimineren.

Tips voor overheden

Op basis van het onderzoek komen er ook een aantal tips naar voren voor overheden: zowel de landelijke overheid als gemeenten:

  1. Zorg voor voldoende middelen voor scholen om een antidiscriminatie aanpak vorm te geven: nu valt het thema te vaak af omdat scholen het al erg druk hebben en hun geld maar één keer uitgeven. Dit staat een goede aanpak van discriminatie onder leerlingen in de weg.
  2. Zorg dat de prioriteit duidelijk is voor scholen; discriminatie verminderen is geen vrijblijvend thema en het kan helpen om bijvoorbeeld als gemeenten dit te benadrukken bij scholen. Ook zou dit thema mogelijk nog gerichter en explicieter gecontroleerd kunnen worden door de Inspectie van het Onderwijs.
  3. Zorg voor voldoende (bij)scholing voor docenten: docenten geven zelf aan dat ze het thema hebben gemist op de pabo. Ook de aanbieders van antidiscriminatie-methoden merken dat docenten vaak niet de kennis in huis hebben om het thema zelfstandig te behandelen in de klas.
  4. Stimuleer onderzoek naar effectiviteit: er wordt nauwelijks onderzoek gedaan naar welke leermiddelen effectief zijn in het verminderen van vooroordelen en discriminatie. Voor scholen betekent dit dat zij niet weten of de gastles of het lespakket dat zij inkopen effectief is. Evaluatie- en effectonderzoek mogelijk maken is daarom aan te raden.
  5. Zorg voor structurele financiering voor effectieve leermiddelen: verschillende aanbieders geven aan dat zij alleen bij scholen binnenkomen als ze hun lespakket ‘gratis’ aan kunnen bieden maar zij maken echter wel kosten in de ontwikkeling en uitvoering. Het subsidiëren van leermiddelen gericht op antidiscriminatie (zeker als er aanwijzingen zijn dat deze effectief zijn) is daarom aan te raden.
  6. Zorg voor een plek waar je terecht kunt met klachten die serieus worden behandeld: als je merkt dat je kind te maken krijgt met discriminatie op school en de school die klacht niet adequaat oppakt, is het mogelijk voor veel ouders nog onduidelijk waar je dan terecht kunt. Is dit een klacht waarmee je naar een antidiscriminatiebureau kunt? En zo ja wat gebeurt er dan mee? Of ga je naar de onderwijsinspectie? Voor de overheid ligt er een taak om hier duidelijkheid in te scheppen zodat ouders hun klachten met betrekking tot discriminatie op school kunnen melden en deze klachten in behandeling worden genomen.

Met dank aan Inti Soeterik en Serena Does voor het meelezen

Anderen bekeken ook