De plek die je inneemt in het gezin waarin je opgroeit, heeft veel invloed op je ontwikkeling. Het maakt uit of je de oudste of de jongste bent. Toch is er weinig wetenschappelijk onderzoek gedaan naar bijvoorbeeld de zorg voor en invloed van oudste kinderen op hun jongere zussen en broers: sibling care. Antropologe Jannet van der Hoek brengt daar met haar proefschrift ‘Variaties van sibling care in Nederland. Het perspectief van oudste kinderen in Randstedelijke, Urker en Turkse gezinnen’ verandering in.

Jannet van der Hoek begon in 2014 aan haar proefschrift, maar is al veel langer geïnteresseerd in sibling care. ‘Ik kreeg voor het eerst het idee voor dit proefschrift toen ik in 1992 een groot antropologisch onderzoek deed in Rotterdamse gezinnen met een Marokkaanse migratieachtergrond naar kansen van tienermeiden op een onderwijsloopbaan naar keuze. In die gezinnen zag ik hoe broers en zussen zich om elkaar bekommerden, dit was sibling care in de praktijk’, herinnert Van der Hoek zich. Het was alleen geen onderwerp dat in de wetenschappelijke studie van de gezinsopvoeding  – waarin volgens Van der Hoek het beeld van de witte middenklasse nog altijd dominant is – serieus werd genomen. Toch schreef Van der Hoek er in 1995 een artikel over. ‘Het is een antropologisch onderwerp dat vooral wordt beschreven als het gaat over landen buiten wat wij de Westerse wereld noemen.’

Maar dat het ook in van oorsprong Nederlandse gezinnen een grote rol kan spelen, wordt meestal buiten beschouwing gelaten. Die wetenschappelijke bias, wil de antropologe met haar proefschrift doorbreken. Daarom onderzoekt Van der Hoek in haar proefschrift, dat ze aanstaande maandag 1 november verdedigt in de aula van de Vrije Universiteit Amsterdam, drie onderzoeksgroepen met diverse sociaal-culturele achtergronden, namelijk Randstedelijk-Nederlands, Urker-Nederlands en Turks-Nederlands en geeft ze inzicht in de verschillende vormen die sibling care in Nederland kan aannemen. Voor dat doel vergeleek ze in kwalitatief onderzoek de perspectieven op sibling care van jongvolwassen eerstgeborenen in deze drie groepen.

De oudste uit een Turks-Nederlands gezin heeft niet alleen een voorbeeldfunctie, maar neemt ook initiatief en denkt actief met de ouders mee over de opvoeding van jongere broers en zusjes

Voorbeeldfunctie

Het onderzoek laat zien dat variaties in sibling care niet direct te herleiden zijn tot verschillen in etnische achtergrond. ‘Oudste kinderen uit Urker en Randstedelijke gezinnen vatten hun rol voor de siblings heel verschillend op. De Randstedelijke oudste legt niet zoveel nadruk op die rol, terwijl er voor de Urker oudste heel duidelijk een voorbeeldfunctie van die rol uitgaat’, ontdekte Van der Hoek. De rolopvatting van de oudste uit Urker gezinnen komt meer overeen met die van de oudste in Turks-Nederlandse gezinnen. ‘Al zit daarin wel een nuanceverschil. De oudste uit een Turks-Nederlands gezin heeft niet alleen een voorbeeldfunctie, maar neemt ook initiatief en denkt actief met de ouders mee over de opvoeding van jongere broers en zusjes.’

Oudste broer

Ook is er onder Urker en Turkse oudsten in het onderzoek een meer uitgesproken opvatting over de rol van de oudste broer, die zich toespitst op leiding geven en toezicht houden op het gedrag van de jongere siblings. ‘Dan gaat het bijvoorbeeld om zorgen over jongere zussen die uitgaan. Dat fenomeen kenden we al uit de gezinnen met een migratieachtergrond, maar speelt dus ook in de Urker context. In grote lijnen lijkt de sibling care van deze oudsten meer op elkaar dan die van de  Randstedelijke en Urker oudsten’, licht Van der Hoek toe. Een uitkomst die haar verrast heeft en bevestigt dat de diversiteit in sibling care niet alleen te herleiden is tot verschillen in etnische achtergrond.

Oudste kinderen met een Turkse achtergrond krijgen meer expliciet en nadrukkelijk sibling care aangeleerd; hierin spelen ook familieleden een belangrijke rol

Paranimfen

Van der Hoek schakelde informanten in om oudste kinderen uit gezinnen in de Urker en Turkse gemeenschap te werven. ‘Dat zijn toch wat meer gesloten gemeenschappen waar ik niet direct toegang toe had. In de Randstad geef ik les en kon ik via studenten gezinnen werven.’ De twee informanten die haar hielpen bij het zoeken naar geschikte oudsten, zijn aanstaande maandag haar paranimfen. Promotor is em. prof. dr. Trees Pels.

Op één punt is er een duidelijk verschil tussen de oudste kinderen met een Randstedelijke en Urker achtergrond enerzijds en de oudste kinderen met een Turkse achtergrond anderzijds. Van der Hoek: ‘De laatsten krijgen meer expliciet en nadrukkelijk sibling care aangeleerd; in deze doelbewuste training van sibling care spelen ook familieleden een belangrijke rol.’ Naast verschillen zijn er ook overeenkomsten tussen de drie groepen oudsten; de meesten maken zich zorgen over hun siblings. Als bijvoorbeeld een jongere broer drugs gebruikt, doen ze hun best om hem daarvan af te brengen.

Uithuisplaatsingen

De maatschappelijke relevantie van dit onderzoek, zit volgens Van der Hoek in de eerste plaats in het herkennen en erkennen van het belang van sibling care. ‘De band tussen siblings wordt nu bijvoorbeeld in de jeugdzorg en bij uithuisplaatsingen over het hoofd gezien. Kinderen uit één gezin worden vaak apart geplaatst, terwijl de band tussen hen kan zorgen voor de continuïteit waaraan ze zoveel behoefte hebben. De organisatie Defence for Children wil met een wetswijziging voor elkaar krijgen dat bij uithuisplaatsingen siblings waar mogelijk bij elkaar geplaatst worden.’  

De studie concludeert verder dat het dominante denkraam over sibling care in Nederland, waarin oudsten nauwelijks een specifieke rol spelen ten opzichte van jongere kinderen, alleen terug te zien is in het perspectief van de oudsten met een Randstedelijke achtergrond. Dit denkraam vertegenwoordigt dus onvoldoende de sociaal-culturele diversiteit die in Nederland bestaat. Meer vergelijkend siblingonderzoek is nodig om het eenzijdige beeld bij te stellen.