In situaties waarbij vrijwilligers en hulpvragers aan elkaar gekoppeld worden, zoals bij maatjesprojecten, kunnen mensen geconfronteerd worden met vooroordelen en discriminatie. KIS heeft een verkenning gedaan naar hoe organisaties hiermee omgaan. ‘Organisaties staan vaak voor een lastige keuze’, aldus Joke Meindersma en Ceronne Kastelein.

Waarom deze verkenning?

Vooroordelen en discriminatie komen overal voor, dus ook binnen het vrijwilligerswerk. Zeker in de vrijwillige zorg en hulp, waar vrijwilligers en hulpvragers vaak één op één aan elkaar gekoppeld worden, kan dit tot vervelende situaties leiden. In de eerste plaats natuurlijk voor de mensen die geconfronteerd worden met discriminerende uitingen. Het is heel heftig als je op grond van bijvoorbeeld je achtergrond of religie geschoffeerd of zelfs weggestuurd wordt. Maar het kan voor vrijwilligersorganisaties ook heel ingewikkeld zijn om hiermee om te gaan. Op papier lijkt het eenvoudig, want discrimineren mag niet. Maar in de praktijk is het niet zo zwart-wit. We hebben deze verkenning gedaan om inzicht te krijgen in de complexiteit van discriminatie in de vrijwillige zorg en manieren waarop organisaties hiermee omgaan.

Wat is er dan zo complex?

Het begint al bij intakegesprekken met hulpvragers en potentiële vrijwilligers. Iemand geeft aan liever geen homoseksuele vrijwilliger te willen. Of een vrijwilliger zegt niet aan een Islamitisch gezin gekoppeld te willen worden. Houd je hier als organisatie rekening mee bij het matchen? En gaat het hier wel om discriminatie, of geven mensen gewoon een voorkeur aan? Hier worstelen veel organisaties mee. Want ga je tijd en energie stoppen in een match waarbij je van te voren al weet dat deze heel lastig gaat worden?

Stop je de samenwerking met een vrijwilliger resoluut na discriminerende uitingen, ook al kan deze vrijwilliger wellicht veel andere hulpvragers hartstikke goed helpen?

Als er vervolgens tijdens het contact tussen vrijwilliger en hulpvrager sprake is van discriminatie, staat een vrijwilligersorganisatie weer voor een volgend dilemma. Zet je de hulp aan een cliënt stop, ook als dat betekent dat er bijvoorbeeld kinderen van een gezin de dupe van worden of als je weet dat er geen andere hulp is voor die persoon? En stop je de samenwerking met een vrijwilliger resoluut na discriminerende uitingen, ook al kan deze vrijwilliger wellicht veel andere hulpvragers hartstikke goed helpen en je sowieso een tekort hebt aan vrijwilligers?

Wat is jullie opgevallen tijdens de verkenning?

Meindersma: ‘In de survey komt heel duidelijk naar voren dat er een grijs gebied is waarbinnen organisaties sommige gevallen van discriminatie accepteren. Van hulpvragers wordt beduidend meer door de vingers gezien dan van de eigen vrijwilligers. En uit de reacties blijkt ook hoe ingewikkeld het soms voor een vrijwilligerscoördinator is om te bepalen hoe er vanuit de organisatie mee moet worden omgegaan, omdat er meerdere belangen meewegen, of omdat er geen duidelijke visie op is. Een vrijwilligerscoördinator kan hier op verschillende manieren mee te maken krijgen, bijvoorbeeld in intakegesprekken, maar ook als eerste aanspreekpunt voor vrijwilligers. Hier zijn ze niet altijd goed op voorbereid.’

Kastelein: ‘Het onderwerp bespreekbaar maken is zo ontzettend belangrijk. Dus dat er aandacht voor is bij trainingen voor vrijwilligers, maar ook bijvoorbeeld tijdens teamoverleggen. Dat je naast een in de organisatie breed gedragen visie op omgaan met diversiteit en discriminatie óók aandacht hebt voor situaties in de praktijk.’

Op basis van de verkenning maakte KIS een publicatie met tips over hoe je als organisatie om kunt gaan met discriminatie en vooroordelen in vrijwillige zorg en hulp.

Naar de tips

Jouw bijdrage

3 + 1 =
Geef het antwoord op deze rekenoefening. Voorbeeld voor 1+3: voer 4 in.