Sinds 1 augustus 2021 is de nieuwe wet voor burgerschapsonderwijs van kracht. Het afwijzen van discriminatie hoort bij goed burgerschapsonderwijs. De nieuwe antidiscriminatietool van KIS en School & Veiligheid helpt scholen stapsgewijs om dit onderwerp in te bedden. De tool helpt ook bij het kiezen tussen de tientallen leermiddelen en gastlessen.

KIS-onderzoeker Hanneke Felten hoeft niet lang na te denken als haar gevraagd wordt om een klein voorbeeld uit de dagelijkse praktijk van vooroordelen: ‘Leerlingen én docenten noemen een zalmroze potlood of stift vaak “huidskleur”. Zij staan er niet bij stil hoe een leerling met een andere dan een witte huidskleur zich hierdoor apart gezet kan voelen.‘

‘We weten uit onderzoek dat “witte” kleuters minder snel spelen met kinderen met een donkere huidskleur of andere afkomst’, vertelt Felten. Dus antidiscriminatie is een onderwerp dat direct vanaf groep 1 aan de beurt moet komen. Alleen hoe, dat is best ingewikkeld. Want uit onderzoek van KIS blijkt dat varen op je intuïtie niet altijd een goed idee is.

Averechts

KIS bestudeerde in 2020 bijna 200 wetenschappelijke studies en destilleerde daaruit een aantal werkzame elementen én duidelijke inzichten over wat juist niet werkt bij het aanpakken van vooroordelen, stereotypering en discriminatie in het basisonderwijs. In 2021 bracht KIS leermiddelen in beeld die er voor scholen op deze thema’s beschikbaar zijn. Er blijken leermiddelen in omloop die niet of zelfs averechts werken.

KIS ontwikkelde daarom een tool die bestaat uit een stappenplan, een overzicht van leermiddelen en een checklist om na te gaan in hoeverre een leermiddel kans van slagen heeft. KIS zocht daarbij samenwerking met stichting School & Veiligheid, die daar graag op in ging. ‘Basisscholen ondersteunen bij het werken aan een inclusief klimaat en burgerschapsvorming is onze kerntaak’, zegt programmamanager Fleur Nollet. ‘Uit de onderzoeken van KIS kwamen belangrijke inzichten die gedeeld moesten worden.’

Direct naar de tool

Confronterend en verhelderend

Nollet legt uit hoe het stappenplan scholen helpt om verbinding te leggen tussen de schoolvisie en de uitvoering in de klas. ‘Meestal werkt de schoolleider de visie uit, stelt de bouwcoördinator de leerdoelen op en kiest de leerkracht een leermiddel uit. Als je als school samen het stappenplan volgt, komt daar een logische lijn in.’

Het stappenplan brengt het onderwerp echt tot leven met soms confronterende, maar altijd verhelderende filmpjes en quotes

Het stappenplan helpt om een breed gedragen visie te ontwikkelen die past bij de waarden van de school en gestoeld is op wetenschappelijke kennis. Het brengt het onderwerp echt tot leven met soms confronterende, maar altijd verhelderende filmpjes en quotes. Het stappenplan helpt verder de visie te vertalen in heldere doelen. De laatste stap van het plan is de keuze van de activiteiten en leermiddelen en daarbij komen het overzicht van de beschikbare leermiddelen en gastlessen, plus de checklist van pas.

Circuitje in een rolstoel

Er staan – bewust – geen oordelen bij de leermiddelen in het overzicht, vertelt Felten, omdat dit jarenlang evaluatieonderzoek van al deze middelen zou vragen. ‘Leerkrachten kunnen met de checklist zelf nagaan of het leermiddel dat zij voor ogen hebben bijdraagt aan wat ze ermee willen bereiken.’ Een van de checkvragen is bijvoorbeeld of het middel leerlingen leert wat zij gemeen hebben en of het een ‘wij-gevoel’ creëert. Alle checkvragen zijn gebaseerd op de werkzame mechanismen die uit de onderzoeken komen.

De checklist helpt ook om te voorkomen dat er een leermiddel gekozen wordt met elementen met een averechtse werking, bijvoorbeeld door de checkvraag of kinderen gaan uitproberen hoe het is om een beperking te hebben. ‘Dat komt heel vaak voor’, weet Felten. ‘Bijvoorbeeld een circuitje afleggen in een rolstoel. Kinderen doen daar enthousiast aan mee. Maar het staat te ver af van de alledaagse werkelijkheid van een klasgenoot die rolstoelafhankelijk is en daardoor ontstaat er alleen maar meer afstand.’

Om discriminatie te verminderen, gaat het er niet om of kinderen een leuke middag hebben, het gaat erom dat leerlingen minder vooroordelen krijgen

Dat druist in tegen een vrij gangbare praktijk, erkent Felten. ‘Maar het is echt vastgesteld in gedegen onderzoeken. Wat wel werkt is het positieve en echte contact met iemand in een rolstoel en bijvoorbeeld samen op stap gaan. Dan krijg je echt het perspectief mee van de persoon met een beperking. Dat is niet het geval wanneer je het hebben van een beperking na probeert te bootsen.’

Bewustere keuze

Om discriminatie te verminderen, gaat het er niet om of kinderen een leuke middag hebben, het gaat erom dat leerlingen minder vooroordelen krijgen, onderstreept Felten. Daarin zit volgens Nollet een grote waarde van de tool, omdat die een bewustere keuze helpt maken: ‘Dat gebeurt nu nog te vaak op basis van hoe aantrekkelijk een methode wordt gepresenteerd. Of op basis van een enthousiaste collega.’

Felten geeft nog een ander voorbeeld van een averechts werkend element in leermiddelen. ‘Het is best gangbaar om een les over antidiscriminatie te starten met een uitnodiging aan de leerlingen om voorbeelden te geven van vooroordelen en stereotypen. Maar door deze expliciet te maken en een leerkracht die ze opschrijft op het bord, versterk je ze alleen maar. Wanneer je zegt “denk niet aan een roze olifant”, denk je er juist wel aan.’

Vier gebieden

Wat wel goed werkt is ervoor zorgen dat verschillende groepen mensen gerepresenteerd worden in de klas. Heb je alleen witte poppen in de speelhoek? Lees je wel eens voor uit een boek met een kind in een rolstoel in de hoofdrol? Hebben meisjes even vaak als jongens de hoofdrol in de films die je laat zien? Praat je op dezelfde manier over twee ouders van hetzelfde geslacht als over ouders die man en vrouw zijn?

Met deze vier vragen heeft Felten meteen de vier gebieden te pakken waarover antidiscriminatie gaat: racisme, validisme (=de structurele discriminatie van mensen met een beperking), seksisme en LHBT-discriminatie. ‘Het gaat over groepen die stelselmatig en ook historisch gevoed anders bejegend en uitgesloten worden. Dit onderstreept het verschil tussen discriminatie en pesten.’

Integraal of apart

Sarah Abbou, beleidsadviseur bij de PO-Raad, ziet ook dat het thema erg leeft op scholen. Maar ze ziet ook dat scholen al heel veel informatie op hun bordje krijgen als het gaat om sociale veiligheid. ‘Als PO-Raad werken we samen met onze partners juist aan een integrale benadering van dat brede thema. Naast discriminatie horen daar ook onderwerpen als pesten en seksueel grensoverschrijdend gedrag bij.’

De integrale aanpak van sociale veiligheid start met het open en eerlijke gesprek

Het is de vraag of scholen deze brede range zelf ook als één thema zien, erkent Abbou. Tegelijkertijd is het een feit dat de Wet sociale veiligheid op school het thema wel als eenheid benoemt en scholen op basis daarvan de opdracht hebben er werk van te maken. ‘Bovendien gaat het in de kern om het kunnen voeren van het goede gesprek over gevoelige onderwerpen. En dan maakt het in feite niet zo veel uit wat het gevoelige onderwerp precies is.’

Goed gesprek is basisvoorwaarde

Wat dat betreft ziet Abbou nog veel handelingsverlegenheid op de scholen. ‘Ze vinden het ingewikkeld. Het kan heel persoonlijk aanvoelen, dat maakt het niet makkelijk.’ Juist om die reden denkt Abbou dat schoolleiders en andere onderwijsprofessionals zeker behoefte kunnen hebben aan ondersteuning om aan de slag te gaan met gevoelige thema’s als antidiscriminatie. Waarbij werken aan de handelingsverlegenheid bij gevoelige onderwerpen wat haar betreft een basisvoorwaarde is.

Nollet van School & Veiligheid sluit zich daar bij aan: ‘De integrale aanpak van sociale veiligheid start met het open en eerlijke gesprek.’ Maar, voegt ze eraan toe: ‘Als een school eenmaal een specifiek thema op wil pakken, of ermee geconfronteerd wordt, dan is deze antidiscriminatietool gebaseerd op wetenschappelijke inzichten hard nodig om goede keuzes te maken.’

Bekijk de antidiscriminatie-tool