Tien jaar inzicht in inburgering en arbeidstoeleiding
Tien jaar lang volgde KIS hoe gemeenten de inburgering en toeleiding naar werk van statushouders en gezinsmigranten vormgeven. De tiende én laatste editie van de KIS-monitor Arbeidstoeleiding en Inburgering is net verschenen. Wat begon als het openen van een ‘black box’, groeide uit tot een belangrijk instrument voor beleid en uitvoering. Onderzoekers Marjan de Gruijter en Tamara A. Kool blikken terug en vooruit.
Senior onderzoeker Marjan de Gruijter stond aan de wieg van de KIS-monitor. In 2016 werden gemeenten in het hele land bevraagd over inburgering en arbeidstoeleiding van statushouders. ‘De Inburgeringswet 2013 was toen nog van kracht, wat betekende dat nieuwkomers alles zelf moesten uitzoeken en zelf moesten betalen. Gemeenten hadden formeel nauwelijks een rol in de inburgering, maar waren wél verantwoordelijk voor de arbeidstoeleiding van statushouders met een bijstandsuitkering. Er gebeurde van alles bij gemeenten, maar wat ze precies deden en met welke resultaten, was niet duidelijk. Met de KIS-monitor wilden we die black box ontsluiten.’
Kennis delen
Die eerste editie werd goed ontvangen. De behoefte bij gemeenten om kennis te delen bleek groot. ‘Het was toen al duidelijk dat die oude wet niet goed werkte, omdat statushouders meer begeleiding nodig hadden. Toen is besloten om met Divosa de monitor jaarlijks uit te voeren.’
In 2018 begon het ministerie van SZW met het grote programma ‘Veranderopgave Inburgering’, waardoor gemeenten begonnen te experimenteren en meer regie op de inburgering kregen. Ook dat leverde weer nieuwe vragen voor de monitor op. ‘We konden met de monitor echt meebewegen met de actualiteit. Toen in 2022 de nieuwe wet van kracht werd, hebben we gemeenten uiteraard ook naar hun ervaringen gevraagd. Zo konden we al snel in beeld brengen wat goed ging en waar verbetering nodig was.’
Zes op de tien gemeenten
De KIS-monitor heeft zich de afgelopen tien jaar ontwikkeld tot een belangrijk instrument om in gemeenteland de uitdagingen rondom inburgering en de toeleiding naar werk in beeld te brengen, vult onderzoeker Tamara Kool aan. ‘De afgelopen jaren deden zo’n zes op de tien gemeenten mee aan de monitor. De huidige Wet inburgering is een lerend stelsel. De monitor leverde belangrijke input om van te leren en door te ontwikkelen.’
De monitor leverde ook waardevolle informatie op voor samenwerkingspartner Divosa, die gemeenten ondersteunt bij de uitvoering van de inburgering. De Gruijter: ‘In elke monitor hebben we aandacht besteed aan wat gemeenten nodig hebben om hun rol in inburgering en toeleiding naar werk goed te vervullen.’
Vrijheid en kaders
De monitor laat volgens Kool zien hoe voortvarend gemeenten de afgelopen jaren die regierol hebben omarmd. De nieuwe wet wordt als een grote verbetering gezien.
Op veel plaatsen krijgen statushouders een uitgebreid ondersteuningsaanbod.
De Gruijter: ‘De nieuwe wet geeft gemeenten veel ruimte om zelf invulling te geven aan de inburgering. Tegelijkertijd zijn de kaders strak: de inburgeringsplicht en de uren liggen vast en dat bepaalt ook wat gemeenten kunnen doen. Binnen bijvoorbeeld de Z-route liggen 800 uur taal en 800 uur participatie vast. Je mag daar inhoudelijk invulling aan geven, maar dat aanbod móét je wel realiseren. Voor inburgeraars is dat vaak veel en voor gemeenten soms een hele toer om dat op maat te organiseren.’
Kool: ‘Gemeenten streven maatwerk na, maar het inburgeringsaanbod wordt veelal aanbesteed en groepsgewijs uitgevoerd. Soms is het aanbod dan toch minder passend dan gewenst. Neem inburgeraars die werk hebben: zij kunnen dit vaak lastig combineren met de taallessen. Gemeenten werken aan het aanbieden van taallessen in de avonduren of in het weekend. ’
De onderzoekers zijn onder de indruk van de grote betrokkenheid van professionals, zowel in uitvoering als beleid, bij de soms kwetsbare doelgroep. De Gruijter: ‘Gemeenten zijn heel divers, maar we zien dat overal hard wordt gewerkt om de inburgering voor hen zo passend mogelijk te maken.’
Vrouwen met jonge kinderen
De laatste KIS-monitor richt zich op vrouwen met jonge kinderen in de inburgering. Een groep die volgens de onderzoekers nog vaak over het hoofd wordt gezien. Kool: ‘Uit onderzoek weten we dat vrouwen met jonge kinderen een ongunstige startpositie hebben als het gaat om inburgering en arbeidsparticipatie. Dat kan te maken hebben met opleidingsniveau of werkervaring, maar zeker ook met zorgtaken. Als die grotendeels bij de vrouw liggen, is er minder tijd voor inburgering of werk.’
Uit onderzoek weten we dat vrouwen met jonge kinderen een ongunstige startpositie hebben als het gaat om inburgering en arbeidsparticipatie.
Volop maatwerk, geen genderspecifiek beleid
Dit geldt uiteraard niet voor alle vrouwelijke statushouders, maar ook in eerdere edities van de KIS-monitor constateerden gemeenten dat vrouwen, onder meer door een gebrek aan passende kinderopvang, vaak niet op tijd kunnen starten met taallessen of participatie-uren. De laatste monitor gaat hier dieper op in. Daaruit blijkt dat gemeenten vooral proberen om met allerlei kunst- en vliegwerk obstakels voor deze moeders weg te nemen, bijvoorbeeld door ouders een ander lesrooster te geven, zodat één ouder bij de kinderen kan zijn.
De Gruijter: ‘Maatwerk is mooi, maar dat verbetert de positie van de groep als geheel niet. De meeste gemeenten hebben geen genderspecifiek beleid om de achterblijvende positie van vrouwen in de inburgering structureel aan te pakken. Dat is belangrijk. Onze aanbeveling is daarom om naast individueel maatwerk op beleidsniveau de positie van deze groep te versterken.’ Kool: ‘Een volgende stap zou zijn om sámen met de doelgroep in gesprek te gaan over wat inburgeren en werken met een jong gezin lastig maakt. Dan ontstaat er echt inzicht in de mate waarin aanbod en begeleiding aansluiten bij leefsituatie en behoeften.’
Laatste aanbevelingen
Dit zijn ook de laatste praktische aanbevelingen gebaseerd op de KIS-monitor. Kool: ‘De monitor was bedoeld om kennis op te halen. Inmiddels zijn er veel meer onderzoeken, ook vanuit SZW, die de nieuwe wet evalueren en monitoren. Daarom is besloten om binnen KIS de komende jaren ruimte te maken voor ander onderzoek en projecten. Maar de focus op positieverwerving van nieuwkomers blijft.’
Onderbouwd beeld
De KIS-monitor bood gemeenten én Divosa tien jaar lang een breed gedragen en goed onderbouwd beeld van de praktijk van inburgering en arbeidstoeleiding. ‘Wij halen veel signalen op uit de uitvoering en met de KIS-monitor kon je die ook echt onderbouwen: dit speelt niet in één gemeente, maar in heel gemeenteland’, zegt projectleider Jet van Mierlo van Divosa.
De monitor fungeerde ook voor gemeenten als een belangrijke informatiebron, en werd ook gebruikt om bijvoorbeeld de gemeenteraad te informeren over knelpunten in de inburgering. ‘Het is niet alleen een vragenlijst, maar ook een kwalitatief onderzoek met focusgroepen en interviews. Daardoor kregen we niet alleen cijfers, maar een compleet beeld en konden we er als hele keten in de inburgering van leren’, zegt collega Gaby Hauck.
Experts
Naast Divosa was vanaf de eerste editie een vaste expertgroep betrokken, met vertegenwoordigers van onder meer het ministerie van SZW, VluchtelingenWerk Nederland, de Sociaal-Economische Raad, Stichting voor Vluchteling-Studenten UAF, de VNG, MBO-Raad en de G40-themagroep Vergunningshouders en Asiel. Deze experts dachten mee over de interpretatie van de resultaten en het formuleren van aanbevelingen voor gemeenten.
Meer informatie?Neem contact op met:
Tamara Kool
Marjan de Gruijter