In kwetsbare wijken in de grotere steden, waar veel mensen met een migratieachtergrond wonen, staat de leefbaarheid onder druk. Door beleid op maat te maken voor specifieke groepen, kan de wijkaanpak veel effectiever worden. De cijfers over leefomstandigheden op wijkniveau in de KIS Wijkmonitor helpen beleidsmakers hierbij. In een factsheet met gegevens uit deze wijkmonitor laat KIS zien welke thema’s om extra aandacht vragen.

Leefomstandigheden kunnen per groep flink verschillen, blijkt uit de factsheet. Er zijn voor veel groepen met een migratieachtergrond, bijvoorbeeld op het gebied van arbeid en onderwijs, positieve ontwikkelingen te zien. Maar voor een aantal groepen, vooral inwoners met een vluchtelingenachtergrond, zijn de cijfers over het algemeen fors ongunstiger. Voor hen is een koopwoning een illusie, is de financiële situatie niet rooskleurig en zijn de onderwijskansen van de kinderen klein. De situatie wordt voor nieuwkomers na enkele jaren wel wat beter, maar bij hen en ook bij groepen met een migratieachtergrond die al langer in Nederland verblijven blijft de kloof met mensen zonder migratieachtergrond groot.

Naar de factsheet  

Arbeidsparticipatie

Op het gebied van arbeid en inkomen zien we zorgwekkende leefomstandigheden van mensen afkomstig uit Eritrea en Syrië. Zo is het percentage werkzoekenden onder mensen met een Syrische achtergrond 55%, en met een Eritrese achtergrond 43%. Ter vergelijking: het percentage werkzoekenden zonder migratieachtergrond (15-65 jaar) was 3,9% in 2019. Hoge percentages, ook al is dat voor een groot deel te verklaren uit de forse nieuwe instroom van asielzoekers uit deze landen vanaf 2015. Het is ook hoger dan onder inwoners met een Marokkaanse achtergrond, die op hun beurt (met ruim 16%) vier keer vaker werkzoekend zijn dan gemiddeld.

Armoede

Veel huishoudens met een migratieachtergrond, met name met een vluchtelingenachtergrond, leven in armoede. De hoogste percentages vinden wij bij huishoudens met een Syrische achtergrond. Ook huishoudens met een Marokkaanse, Bulgaarse of een Antilliaanse achtergrond leven relatief vaak in armoede. Als het gaat om huishoudens met een laag inkomen zien we verschillen tussen landelijk, gemeentelijk en wijkniveau. Het percentage huishoudens met een laag inkomen is in Nederland gemiddeld 7,7%. Zoomen wij bijvoorbeeld in op Utrecht, dan zien we een percentage van 9,6%. In de wijk Overvecht is dat 20,2%. Onder huishoudens met een migratieachtergrond is dat in Overvecht 30,5%, met een Bulgaarse achtergrond 31% en met een Syrische achtergrond is het daar zelfs 63,4%.

Armoedebeleid

Dergelijke cijfers kunnen een aanleiding zijn voor accenten in het armoedebeleid van een gemeente. De cijfers maken bijvoorbeeld duidelijk dat de armoede het grootst is onder mensen met een Syrische achtergrond, maar dat zij relatief weinig gebruik maken van schuldsanering. Cijfers in de monitor zijn natuurlijk beschrijvend en geven geen verklaringen, maar het is bekend dat statushouders een groot risico lopen om in problematische schulden te geraken. Vaak starten ze bijvoorbeeld al met schulden, omdat er schulden zijn gemaakt om de reis naar Nederland te bekostigen. En om de lessen voor het inburgeringsexamen te betalen sluiten statushouders een lening af bij DUO. Mogelijk is de schuldsanering niet voldoende bekend bij statushouders die relatief kort in een gemeente gevestigd zijn.

Onderwijs

In het onderwijs zien we onder veel groepen met een migratieachtergrond positieve ontwikkelingen. Zo is het percentage schoolverlaters over het algemeen afgenomen, met uitzondering van de groep met een Eritrese en Syrische achtergrond. De situatie van jongeren afkomstig uit Eritrea is ronduit zorgwekkend. Het percentage voortijdig schoolverlaters is erg hoog onder deze groep (15,7%), ondanks dat het wel een dalende trend laat zien. Tegelijkertijd zijn er zorgen over de schoolprestaties, het aantal zonder startkwalificatie, het lage aantal hoog opgeleiden.

Zorg

Wat betreft het gebruik van generalistische ggz zien we dat groepen met een vluchtelingenachtergrond relatief minder gebruik maken van de ggz dan andere groepen met een migratieachtergrond. Met name geldt dat voor mensen met een Eritrese, Somalische en Syrische achtergrond. Dit kan te maken hebben maken met het feit dat deze groepen relatief kort in Nederland zijn, de weg naar de zorg niet goed kennen, de Nederlandse taal nog niet zo goed beheersen en een lagere bereidheid hebben tot gebruik van ggz-zorg. Maar ook kunnen lange wachtlijsten en de kosten (eigen risico) grote drempels zijn.

Aanbevelingen

  1. Breng de leefsituatie en trends in kaart voor verschillende groepen in kwetsbare wijken. Er zijn immers grote verschillen tussen wijken en tussen verschillende groepen.
  2. Analyseer waarom bepaalde groepen ongunstiger scoren op bepaalde indicatoren. Bijvoorbeeld waarom mensen met een Syrische achtergrond minder vaak gebruik maken van schuldhulpverlening.
  3. Bepaal in welke wijken en voor welke groepen bepaalde accenten in beleid noodzakelijk zijn. Als de weg naar schuldhulpverlening bijvoorbeeld minder goed bekend en vertrouwd is, kan voor deze groepen een accent gelegd worden op voorlichting over schuldhulpverlening. Dit kan bijdragen aan een effectiever armoedebeleid.

 Naar de factsheet