Hoe activeer en versterk je de samenwerking en dialoog tussen de lokale netwerken van en voor EU-migranten? Die vraag stond aan de basis van een onlangs afgerond project waarin KIS en stichting Lize samenwerkten. 

 

Na het afschaffen van doelgroepenbeleid door gemeenten en van de Wet overleg minderheden door de Rijksoverheid een paar jaar geleden, bleef het vraagstuk rond de integratie en participatie van EU-migranten in de Nederlandse samenleving even urgent. En daarmee ook de vraag: hoe breng je de expertise en ervaringen van partijen die zich lokaal met dit onderwerp bezighouden duurzaam bij elkaar? En hoe benut je deze expertise voor de positieverbetering van deze doelgroep? 

EU-migranten uit Polen en andere Midden- en Oost-Europese landen vormen - naast (nieuwe) generaties migranten uit ‘traditionele’ EU-landen als Italië, Griekenland, Spanje en Portugal – een groeiende groep in Nederland. Daarbij spelen tal van vraagstukken zoals participatie, arbeidsuitbuiting, toegang tot informatievoorziening en taalbeheersing een rol.

‘Sinds 2010 voeren gemeenten geen doelgroepenbeleid meer. En Lize, het landelijke kennis- en informatiecentrum EU-migranten, is eind vorig jaar opgeheven. Lize vormde voor veel professionals en EU-migrantenorganisaties een belangrijke linking pin,’ vertelt Monica Moreno Diniz, voor KIS betrokken bij dit project en jarenlang als beleidsmedewerker bij Lize actief. Ze schetst hoe de landelijke infrastructuur en belangenbehartiging van deze doelgroep zijn weggevallen. Maar met het verdwijnen van die infrastructuur is het vraagstuk over de positie van deze groep migranten niet van tafel. Misschien zelfs urgenter dan ooit, met de gegroeide groep EU-migranten uit Oost-Europa.

Transitiearena

Daarom is het niet verwonderlijk dat nu opnieuw is geïnvesteerd in een manier om de kracht van lokale netwerken van organisaties, professionals en vrijwilligers die zich met dit thema bezighouden, te activeren en verduurzamen. ‘Daarbij hebben we onderzocht of we de methodiek transitiearena kunnen gebruiken’, aldus Bora Avrić, beleidsadviseur bij KIS. De transitiearena is een specifieke methode (zie kader) die wordt toegepast om veranderingsprocessen waarbij cultuurverandering een rol speelt, te begeleiden. En van een beoogde cultuurverandering was rond dit thema zeker sprake, zegt Avrić. ‘De rol van maatschappelijke organisaties, zelforganisaties en de taken van de gemeenten zijn veranderd, ook ten opzichte van elkaar. Dat veronderstelt een andere houding en ander gedrag. Je ziet namelijk dat soms nog teveel in de richting van de gemeente wordt gekeken als het gaat om het ondersteunen van een initiatief.’ 

Wat is een transitiearena?
Een transitiearena kan als middel worden ingezet bij maatschappelijke vraagstukken waarbij een cultuurverandering is vereist. De bedoeling is dat deelnemers op selectieve en strategische manier een agenda en een dragend netwerk ontwikkelen. Lees meer over de transistiearena.

Niels Tubbing, beleidsadviseur bij de gemeente Amsterdam, herkent dit beeld wel een beetje. Maar er is in zijn gemeente ook een verandering gaande. ‘Maatschappelijke organisaties realiseren zich bijvoorbeeld steeds meer dat de gemeente niet meer structureel financiert, dat ze meer zelf initiatieven moeten en kunnen ontplooien. We ondersteunen wel als gemeente en denken bijvoorbeeld mee over andere financieringsmogelijkheden die er zijn, via de vermogensfondsen bijvoorbeeld. Of om de handen ineen te slaan en met verschillende migrantenorganisaties gezamenlijk fondsen te werven.’

Mede-eigenaar van het vraagstuk

KIS organiseerde, samen met Lize die daarmee een laatste daad stelde, een aantal bijeenkomsten voor belanghebbenden uit de regio Den Haag en Amsterdam. De deelnemers – zowel professionals als vrijwilligers die op verschillende manieren bij het thema EU-migratie betrokken zijn – werkten onder begeleiding van KIS en op basis van de methode van de transitiearena. De methode voorziet in een vast format waarbij deelnemers geïnspireerd raken door een goed voorbeeld en vervolgens aan tafel met elkaar een verdiepingsslag maken aan de hand van een vaste set van vragen. 

Loeky van der Zwaan was deelnemer in Den Haag. Ze is werkzaam in de ggz en onlangs in samenwerking met Marta van Burken- Laskowska gestart met Ganesha Diversitas, een organisatie die zich toelegt op de hulpverlening en begeleiding van EU-migranten. Van der Zwaan werkt in de Bollenstreek waar een grote groep arbeidsmigranten uit Oost-Europa woont en werkt. Ze prijst de werkwijze bij het KIS-project. ‘De vragen die we als deelnemer gesteld kregen, maakten dat we allemaal mede-eigenaar werden van het vraagstuk.’ 

Volgens Van der Zwaan hebben organisaties vaak de neiging om te focussen op een deel van het probleem. ‘Er zijn organisaties die zich bijvoorbeeld specifiek richten op het leren van de taal omdat je zo de participatie het best bevordert. Andere organisaties helpen bijvoorbeeld dakloze Oost-Europeanen en zijn dan vooral bezig met het zoeken van huisvesting voor hen omdat dit een van de eerste levensbehoeften is. Dat is heel logisch allemaal. Maar tijdens de bijeenkomsten stond vooral centraal: “Wat doet de ander, waar kunnen we elkaar versterken?” Dat vond ik heel werkzaam.’

Snelkookpanprincipe

Niels Tubbing was deelnemer bij de bijeenkomsten in Amsterdam. Hij is net als Van der Zwaan te spreken over de opbrengst en de werkwijze. ‘Ik zal niet zeggen dat de methode zaligmakend is, maar de manier van werken beviel me wel.’ Hij noemt het een ‘snelkookpanwerkwijze’: breng de bij dit vraagstuk betrokken organisaties bijeen, kom tot de kern met de vraagstukken, wat speelt er, wat doe je allemaal zelf al? Voor Tubbing was de gelijkwaardige manier van samenwerken tijdens de bijeenkomsten prettig. ‘We zaten er als gemeente als partner, niet als opdrachtgever.’ De samenwerking met ngo’s had hij als een belangrijke tip in zijn oren geknoopt na een project in Europees verband. ‘We werken als gemeente niet vanuit een ivoren toren. Organisaties van migranten – hoewel je EU-burgers officieel geen migranten hoort te noemen – vervullen  voor ons ook een belangrijke signalerende functie. We komen te weten wat er speelt. En let wel: het is een heel diverse groep. Hoogopgeleid, laagopgeleid, met allemaal even diverse vragen en behoeften.’

Herkenbaar format

De hamvraag is natuurlijk: hebben de bijeenkomsten daadwerkelijk geleid tot de versterking van of het activeren van een nieuw netwerk rond EU-migranten? Na de slotbijeenkomst waar de ‘regio’s’ Den Haag en Amsterdam samenkwamen, heeft een aantal organisaties en personen toegezegd op korte termijn een initiërende rol te willen spelen in dat netwerk. Dat is verheugend, zegt Moreno Diniz, die denkt dat het middel - de transitiearena – ertoe heeft bijgedragen dat enkele deelnemers hun vinger opstaken en het voortouw willen nemen. ‘Misschien is het onbewust gegaan, maar in de bijeenkomsten kwamen toch telkens termen als ‘do it yourself’, ‘eigen initiatief’, ‘wat kunnen we zelf doen?’ aan bod.’ Avrić is het met haar eens: ‘Misschien is het voor deelnemers niet zichtbaar, maar ik denk dat ons format - de structuur van de transitiearena, de transitieleer die daarbij een rol speelt, de vaste set van vragen, goede voorbeelden – heeft geholpen. Het is een herkenbaar format waar nu op voortgeborduurd kan worden.’ Het project mag dan ten einde zijn, Avrić benadrukt dat voor het netwerk en iedereen die daarbij betrokken is, KIS voor feedback en coaching op de achtergrond beschikbaar blijft.

Anderen bekeken ook

Jouw bijdrage