Ik ben een kind van een politiek vluchteling. Ik was zeven toen mijn vader met gevaar voor eigen leven en dat van zijn gezin op een dag moest besluiten om weg te gaan uit Iran. Hij wist niet waar hij heen moest. Mijn vader was voor zijn bedrijf vaak in Duitsland geweest en zijn collega daar kende nog wel iemand in Nederland aan wie we om hulp konden vragen. Zo kwam ik dus in Nederland.

Nee, het verhaal van onze vlucht speelde dus niet tijdens de oorlog en is ook niet te vergelijken met de horrorverhalen van tegenwoordig. Maar het was wel een vlucht.

Mijn ouders hadden het heel goed in Iran. Het waren hoogopgeleide, welgestelde ondernemers, hard werkende mensen. Voor hen was het dan ook zwaar om hier in een asielzoekerscentrum terecht te komen en niets te kunnen doen. Van een villa in Iran kwamen we opeens in een soort kamp terecht. We deelden een kamer met z’n vieren. Als zevenjarig meisje had ik alles best goed door maar toch ook weer niet. Wat was er opeens gebeurd met mijn leven? Ik zat in Iran op een leuke school, had leuke vriendinnen en heel veel speelgoed. En ik herinner mij vooral dat ik opeens mijn oma en lievelingstante moest missen. Heel simpel en logisch, denk ik, voor de gedachtegang van een meisje van zeven.

Overlevingsmechanismen

Een van de gelukkigste momenten uit die tijd was dat we na een jaar in het azc al verblijfstatus A kregen. Dat betekent dat je in Nederland mag blijven en dat we binnen vijf jaar de Nederlandse nationaliteit zouden krijgen. Sindsdien hebben mijn ouders keihard gewerkt, maar ze deden werk dat altijd ver beneden hun kennisniveau was en hebben zich hier nooit welkom gevoeld. En we weten allemaal wat dat met je doet, psychologisch gezien; je voelt je niets waard etc. Dat heeft ook op mijn ouders zijn uitwerking gehad.

Al snel voelde ik dat de spanningen bij mijn ouders niet van de een op de andere dag weg zouden gaan. Ik begon dus mijn eigen overlevingsmechanismen op te bouwen. Als kind ontwikkelde ik een bepaalde rol; altijd gewoon blijven doorgaan, geen problemen veroorzaken, want je ouders hebben het al moeilijk genoeg.

Wie ben ik in de Nederlandse maatschappij?

En hier sta ik dan, 20 jaar later. Ik heb mijn vwo gehaald, mijn bachelor in drie jaar, een tussenjaar in het buitenland en mijn master binnen een jaar gehaald. Want zo hoorde het. En ik heb nu een leuke baan waar ik mijn ei kwijt kan, een leuke vriend en fijne vrienden. Eigenlijk een prachtig leven. Tot voor kort voelde ik me een Nederlandse burger die net als alle anderen gewoon haar leven leidt. Maar sinds vorig jaar merk ik dat de vluchtelingenproblematiek ook op mij effect heeft.

In die 20 jaar in Nederland, ben ik mij pas de afgelopen twee jaar echt bewust geworden van wie ik ben in de Nederlandse maatschappij. Hoe dat komt? Overal waar ik kom moet ik nu toch even uitleggen wie ik ben, waar ik vandaan kom en met name hoe ik in Nederland terecht ben gekomen. Vind ik dat erg? Nee, dat heb ik altijd al gedaan en dat geeft mij en de ander de mogelijkheid om elkaar beter te leren kennen.

Maar het afgelopen jaar werd mijn verhaal anders zodra ik vertel dat ik zeven was toen mijn vader uit Iran moest vluchten. Dan komt opeens de vraag: ‘Oh, dan zal jij wel met een bepaalde blik naar het vluchtelingendebat kijken?’ Ja, ik denk het wel. Ik ben voorstander van opvang vanuit een mensenrechtenperspectief waarbij ieder mens recht heeft op opvang en voedsel. Heb ik bij voorbaat al zo'n mening vanwege mijn achtergrond? Maakt dat uit? Nee, maar mijn opinie wordt wel meteen in een hokje gestopt.

Heb ik dan meteen wat met al die knuffelacties voor vluchtelingen? Nee, alsjeblieft zeg, die paternalistische houding heb ik nooit gewaardeerd. We zetten daarmee een beeld neer van vluchtelingen als zielige, afhankelijke mensen die opvang nodig hebben. Het huidige debat gaat vaak voorbij aan de context waarin de vluchtelingen zich bevinden en biedt geen ruimte voor nuancering.

‘Shahr, maar jij bent anders, we zien jou niet als een buitenlander.’ Hoezo dan? Ik zie er toch echt buitenlands uit.

Gelijkwaardigheid is ontzettend belangrijk. Ik heb het geluk gehad dat ik overal wordt gezien als Shahrzad: een studiegenoot, een collega, een vriendin, maar nooit als Shahrzad die op 7-jarige leeftijd gevlucht is. Mijn omgeving keek naar mij als een gelijkwaardige, mijn vriendinnen zagen mij gewoon als een van hen. Die houding van mijn omgeving, van mijn school, van mijn vrienden en hun ouders hebben mij onbewust heel erg geholpen en daardoor zie ik mezelf nu gewoon als een collega, een vriendin en zie ik mezelf niet als vluchteling.

Er is niet veel anders aan mij

Maar waarom word ik nooit gediscrimineerd? Zie ik het niet, wil ik het niet zien, ben ik naïef? Hoeven mensen minder bang voor mij te zijn? Vaak wordt tegen mij gezegd: ‘Shahr, maar jij bent anders, we zien jou niet als een buitenlander.’ Hoezo dan? Ik zie er toch echt buitenlands uit, denk ik dan. Ik denk dat het met name komt omdat ik mij ‘net zo’ gedraag als de gemiddelde hoogopgeleide autochtone Nederlander. Er is niet veel anders aan mij dus ik heb dan ook weinig te maken met zaken die botsen.

Maar de laatste tijd merk ik dat ik in de war raak van de tegenstelling, met aan de ene kant de super-positievelingen en de voorstanders van de komst van vluchtelingen en aan de andere kant de extreme tegenstanders. Ik heb voor het eerst het gevoel dat ik nergens bij hoor en ben voor het eerst bewust van mijn ‘anders’ zijn want de felle reacties van de tegenstanders raken ook mij. Gaat dat dan ook over mij, vraag ik me af. Mag ik er nog wel zijn volgens de tegenstanders? Dat is de prijs van de toenemende polarisatie in Nederland. Zelfs mensen zoals ik gaan opeens bij zichzelf te rade over het Nederlands zijn. Word ik nu opeens als een vluchteling gezien?

Anderen bekeken ook

Jouw bijdrage

4 + 12 =
Geef het antwoord op deze rekenoefening. Voorbeeld voor 1+3: voer 4 in.