Na De Telegraaf op 20 juli kraakt nu ook Elma Drayer van mijn eigen Volkskrant het rapport Puberaal, lastig of radicaliserend? af, een handreiking van het ministerie van OCW voor scholen bij het omgaan met radicalisering onder leerlingen. Drayer voegt zich met haar column Met dwaallichten ga je niet in gesprek in het toch al zo luide koor van ‘nieuwe realisten’ die menen dat we met een snoeiharde houding verder komen dan met mildheid. De in het rapport voorgestelde dialooggerichte benadering is haar duidelijk te soft.

Drayer citeert het rapport: 'Juist bij jongeren met extreme denkbeelden is de verleiding voor volwassenen groot om hun denkbeelden af te wijzen, of om de communicatie af te kappen. Dit bevordert de isolering van radicaliserende jongeren en kan het radicaliseringsproces versnellen.' Zij verwijst dit argument naar het rijk der fabelen door te refereren aan de ‘lieden die streefden naar een Duizendjarig Rijk’ en daarbij ook alle middelen geoorloofd achtten hun heilstaat te bereiken. En ook toen waren er blijkbaar Nederlandse jongeren op wie dit zo’n indruk maakte dat ze vrijwillig naar het front vertrokken. Volgens Drayer zou het weinig zin hebben gehad als volwassenen destijds ‘met deze dwaallichten in gesprek waren gegaan’.

We weten nu dat het een risicofactor is om autoritair te reageren op en niet te communiceren met jongeren die radicale denkbeelden ontwikkelen

Nog afgezien van het feit dat een verwijzing naar de Tweede Wereldoorlog inderdaad nogal flauw is (zoals ze zelf ook zegt), maakt Drayer hier ook een grote denkfout, namelijk dat met ‘dwaallichten’ kennelijk geen gesprek te voeren is. Uit recente onderzoeken onder jongeren die radicaliseren blijkt juist de noodzaak hiervan. De laatste jaren is de aandacht voor de sociaal-psychologische wortels van radicalisering sterk toegenomen. We weten nu dat autoritair reageren op en niet-communiceren met jongeren die radicale denkbeelden ontwikkelen een risicofactor is. Radicaliserende of geradicaliseerde jongeren rapporteren vaak een gebrek aan wederkerige communicatie en emotionele steun van de kant van hun ouders en andere volwassenen in hun omgeving, ook als het gaat om hun zoektocht naar (religieuze) zingeving en identiteit. En omgekeerd blijkt openstaan voor en responsief reageren op vragen en problemen van jongeren die flirten met radicaal gedachtengoed, door ouders en andere volwassenen, een buffer te kunnen vormen tegen radicalisering.  

Er zijn heel goede redenen om hierbij vooral naar het onderwijs te kijken. Jongeren uit migrantengezinnen ervaren vaak minder dan autochtone jongeren steun van hun ouders bij het vinden van hun weg in het leven en de maatschappij, een weg die juist voor hen vaak meer dan gemiddeld bezaaid is met voetangels en klemmen. Migrantenouders beschikken niet altijd over de geëigende bagage om hun kinderen daarin te begeleiden. Leerkrachten kunnen hier van grote betekenis zijn, maar ook zij ervaren nogal eens handelingsverlegenheid in het omgaan met leerlingen met een andere achtergrond, evenals met conflicten en spanningen op etnische, culturele en religieuze gronden.

Zoals duidelijk bleek na de aanslag op de redactie van Charlie Hebdo, springen scholen nog weinig adequaat om met extreme uitingen en signalen van radicalisering bij jongeren. In feite zien we vergelijkbare reacties als bij ouders, waaronder ook straffen (tot soms schorsing toe) bij extreem gedrag. Precies het soort afwijzende gedrag dat Drayer propageert. Maar, zoals we nu genoegzaam weten, met het risico dat jongeren zich afkeren van school en hun toevlucht nemen tot leeftijdgenoten, internet of ronselaars onder wier invloed ze verder kunnen radicaliseren. Nee, juist met dwaallichten moeten we in gesprek.

Jouw bijdrage

14 + 0 =
Geef het antwoord op deze rekenoefening. Voorbeeld voor 1+3: voer 4 in.