Superdiversiteit lijkt het nieuwe buzz-woord in de wereld van diversiteit, inclusie en integratie. Wat is het en kunnen we het vertalen naar de praktijk?

Supertof, supercool, supergaaf. Na een etentje met mijn nichtjes – alle drie twintigers – realiseer ik me dat het woord ‘super’ zo’n beetje in elke zin voorkomt. Vandaar ook dat ik bij superdiversiteit in eerste instantie denk aan een supertof en supercool nieuw fenomeen. Met een idealistische bril op is dat misschien ook zo. In de praktijk lijkt het me echter eerder een boeiend maar complex vraagstuk waarvan ik nog even niet weet hoe het toe te passen.

Een meerderheid uit minderheden

Wat is superdiversiteit? Wikipedia heeft er nog geen definitie voor maar kort gezegd staat het voor ‘diversiteit binnen de diversiteit’ en dan hebben we het vooral over etniciteit en migratie. Uitgangspunt is dat het aantal mensen met een migratie-achtergrond sterk toeneemt, voornamelijk in de grote steden. In steeds meer steden bestaat de meerderheid uit minderheden. Neem Amsterdam: 51% van de inwoners is van niet-Nederlandse afkomst, bij de jongeren is dat zelfs 73%. Er is daar dus geen meerderheidsgroep meer van autochtone Nederlanders. En dat leidt bijvoorbeeld tot de vraag: wie integreert er eigenlijk met wie en volgens welke norm? Past een klas waarin Surinaamse kinderen de meerderheid vormen zich aan de heersende norm aan of is de Surinaamse norm leidend?

Er bestaat geen meerderheidsnorm meer. Iedereen past zich aan iedereen aan; dat is de norm.

Daarnaast worden migrantengroepen zelf ook steeds diverser. Migranten komen uit meer verschillende landen. Binnen de eigen groep verschillen migranten steeds meer op het niveau van onderwijs, werkervaring, immigratiestatus, religie, gezondheid, migratiegeschiedenis, leeftijd of taalvaardigheid. Al deze factoren beïnvloeden hun denken en doen evenals de manier waarop ze deelnemen aan de samenleving. Bij superdiversiteit gaat het over deze samenleving, waarin de onderlinge verschillen tussen de diverse groepen groot zijn en waarin er geen ‘meerderheidsnorm’ bestaat. Iedereen past zich aan iedereen aan; dat is de norm.

Hoe werkt superdiversiteit in de praktijk?

De literatuur verwijst onder andere naar situationeel denken en situationele keuzes maken. Ik vertaal dat naar ‘zorgen voor maatwerk’. Met andere woorden: kijk bij een maatschappelijk probleem naar de specifieke groepen die er mee te maken hebben en naar de specifieke factoren die een belangrijke rol spelen en maak daar vervolgens beleid op. Ik vraag me af of deze werkwijze écht anders is en specifiek gekoppeld is aan superdiversiteit.

Bij superdiversiteit lijkt het alleen te gaan over etniciteit. Niet over leeftijd, gender, religie of seksuele voorkeur.

Wat is de beperking van superdiversiteit? In de literatuur lijkt het alleen te gaan over etniciteit en dan voornamelijk in grote steden. Daarmee voel ik me enigszins beperkt. Vanuit Movisie streven we naar een inclusieve maatschappij waarin iedereen mee kan doen, ongeacht leeftijd, gender, etniciteit, religie, beperking of seksuele voorkeur. En superdiversiteit lijkt die andere uitsluitingsfactoren of uitgesloten groepen niet vanzelfsprekend mee te nemen.

Kort samengevat is superdiversiteit voor mij een nieuw denkkader dat boeit, prikkelt en een logisch antwoord lijkt op ontwikkelingen in de maatschappij. Is superdiversiteit daarmee ook supertof of supersuccesvol en zorgt het voor de oplossing van bestaande knelpunten? Dat weet ik nog niet. Ik zou graag ook andere uitsluitingsgronden en uitgesloten groepen erbij willen betrekken. En het breder trekken dan alleen de grote steden. Ook zoek ik nog naar de concrete vertaalslag: wat verandert er in de praktijk, wat gaan beleidsmakers en sociale professionals straks anders doen onder invloed van superdiversiteit? En vooral: wordt de doelgroep er beter van?

Wie heeft input voor deze discussie?

Deze blog is geschreven door antropoloog Wil Verschoor, oud-medewerker van Movisie.

Jouw bijdrage

1 + 11 =
Geef het antwoord op deze rekenoefening. Voorbeeld voor 1+3: voer 4 in.