‘Integratie en samenleving? Serieus, Ikram, wat heb je daar te zoeken?’ Hij kijkt me aan alsof ik iets belachelijks zeg. Mijn vriend is dit thema spuugzat. Net zoals iedereen uit mijn nabije kring eigenlijk. De zogenaamde nineties-kids zijn hier geboren en getogen. We juichen het hardst wanneer Nederland scoort tijdens het EK en voelen en gedragen ons als toerist in het land waar onze ouders zijn geboren. Ik generaliseer, uiteraard. Niet iedereen herkent zich hierin en niet iedereen voelt zich thuis in de Nederlandse samenleving. Om eerlijk te zijn, soms voel ik me dat ook niet.

KIS bestaat nu zo’n zes maanden. Maar de totstandkoming van de naam was een zware bevalling. Een perfecte naam bestaat eigenlijk niet, was de slotsom. En zo zijn we uitgekomen bij deze. Ook eentje die de lading niet goed dekt. Want paradoxaal genoeg gaat het leeuwendeel van de projecten van het kennisplatform over tweede en derde generatie jongeren die geen andere samenleving kennen dan de Nederlandse. Dus wat nou allochtonen? Wat nou migrantenjongeren? Wat nou nieuwe Nederlanders en wat nou moslimjongeren? En is integratie niet een erg ouderwets, 1.0-begrip? We zijn dat tijdperk voorbij en willen vooruit.

Tegelijkertijd: het begrip integratie loslaten is moeilijk. Want het begrip is de beste grenslijn die we hebben waarmee we “de gedroomde en zuivere Nederlandse samenleving” kunnen definiëren. De samenleving heeft de Ander die van buiten komt, nodig om zichzelf te kunnen definiëren en af te bakenen.

En daarom is het niet gek dat we anno 2015 nog steeds spreken over allochtonen. En dat mijn kinderen ook als migrantenjongeren zullen worden gezien. En hun kinderen als bi-culturele jongeren. En hun kinderen als kleurrijke jongeren. Met de overdracht van integratieproblemen op volgende generaties allochtonen – genealogisering in vaktermen -  blijven we nazaten van migranten identificeren en daarmee ook hun eeuwige afstand tot de Nederlandse samenleving.

Ik ben onderdeel van het probleem

Het punt is dat er problemen zijn waar de nazaten van migranten volop mee worstelen. Problemen als vroegtijdig schoolverlaten, armoede, huiselijk geweld, taboes, racisme. Problemen waar ook de nineties-kids geen oplossing voor hebben. Nieuwe termen verzinnen werkt niet; vroeg of laat zullen de termen allemaal een negatieve betekenis verkrijgen, want je bent gewoon Anders. En problemen zijn makkelijker te koppelen aan het Anders-zijn, dan aan sociaaleconomische of grote-stedenproblematiek.

Maar hoe kunnen we de problemen oplossen als we de doelgroep blijven “ver-Anderen”? Ik doe het zelf ook; ik heb dezelfde terminologie eigen gemaakt die duurzame uitsluiting reproduceert waar mijn achter-achter-achter-kleinkinderen nog last van gaan hebben. Dan kan ik hoog of laag springen en de beste intenties hebben om “integratievraagstukken” aan te pakken, maar ik ben zelf keihard onderdeel van het probleem.

Oplossingen gezocht

Ik worstel ermee hoe makkelijk we integratiejargon overnemen en niet stilstaan bij de verborgen reproductie van uitsluiting

Kortom: ik worstel met hoe makkelijk we integratiejargon overnemen, ook bij Kennisplatform Inclusief Samenleven, en dat we niet stilstaan bij de verborgen reproductie van uitsluiting. Soms gebeurt dit onbewust, soms simpelweg vanuit praktische overwegingen. Het is minder omslachtig om over “migranten” te praten dan over “Nederlands-Turkse mensen” of “Nederlanders met een Antilliaanse afkomst”.
Tegelijkertijd is Kennisplatform Inclusief Samenleven hard bezig met activiteiten die structurele ongelijkheid in kansen moeten tegengaan en de obstakels voor een inclusieve economie moeten wegnemen. Activiteiten die mij motiveren en maken dat ik niet terugval in berusting; sociaal ondernemerschap en arbeidsparticipatie, het werken aan empowerment, om een paar voorbeelden te noemen.

Hoe mooi zou het zijn als dit gaat lukken. Hoe mooi zou het zijn als überhaupt die activiteiten niet meer nodig zijn en ons werk zijn bestaansrecht verliest.