De arbeidsparticipatie van vluchtelingen laat nog veel te wensen over. Belangrijke struikelblokken zijn taal, sociaal netwerk en gezondheid, maar ook onrealistische verwachtingen. Zowel bij nieuwkomers als bij werkgevers. ‘Kijk voorbij dat accent’, stelt UAF-directeur Mardjan Seighali op het drukbezochte symposium 'Samen werken aan duurzame arbeidsparticipatie van statushouders’ in Utrecht.

Het aantal nieuwkomers in Nederland dat een duurzame werkplek vindt, is uiterst gering. Deze achterstand wordt jaren later niet meer ingehaald. Na vijftien jaar blijft de zogenoemde vluchtelingenkloof groot –  57 procent van de statushouders heeft werk versus tachtig procent van de autochtone bevolking. UAF-directeur Mardjan Seighali schetst een veelzeggend beeld. ‘Dit kan en moet beter. De urgentie is hoog.’ De werkelijkheid is complex, weten de ruim vijftig deelnemers aan het symposium dat op 12 juni in Utrecht werd gehouden. Stuk voor stuk professionals die veelal in hun dagelijkse praktijk proberen de positie van nieuwkomers te verbeteren.

Het symposium ‘Samen werken aan duurzame arbeidsparticipatie’ van statushouders werd georganiseerd door Gemeente Utrecht, Hogeschool Windesheim, Verwey Jonker Instituut, UAF, Pharos, Expertisecentrum Gezondheidsverschillen en Hogeschool Utrecht.  

Struikelblok

Seighali: ‘De kunst is om de juiste balans tussen begeleiding en werk te vinden. Keer op keer blijkt uit onze projecten de Nederlandse taal een belangrijke succesfactor én struikelblok.’ Ze schetst hoe, bij het project waarbij statushouders worden opgeleid tot elektromonteur, het gevraagde B1-niveau onvoldoende bleek. ‘Woorden als waterpomptang kenden ze niet.’ Met een speciale app met technische taal is hiervoor vervolgens bij dit project een oplossing voor gevonden.

Woorden als waterpomptang kennen ze niet

Veel hangt af van de verwachtingen van de werkgevers, weet Seighali, die zelf in 1991 uit Iran naar Nederland vluchtte. ‘Mijn taalniveau is prima, maar accentloos zal het nooit worden. Ik heb altijd werkgevers gehad die voorbij het accent naar mijn competenties keken. Dat gaf me vertrouwen.’

Lectoraat

Er zijn tal van initiatieven om vluchtelingen te helpen hun plek in de Nederlandse samenleving te vinden. De een succesvoller dan de ander, stelt Seighali. ‘Al deze initiatieven leveren inzichten op, maar de opbrengsten en resultaten raken vaak versnipperend over het land.’ Daar moet een nieuw bijzonder lectoraat, aan de Hogeschool Utrecht dat zich richt op het ‘bevorderen van arbeidsparticipatie van statushouders’, verandering inbrengen. De nieuwe lector wordt waarschijnlijk nog voor de zomer bekend gemaakt.’   

Nieuwe plek

Het is Assetina Kolani, juridisch maatschappelijk begeleider bij Vluchtelingenwerk Amsterdam, voormalig vluchteling, die op indringende manier vertelt hoe lastig het begin voor nieuwkomers in Nederland is. ‘Ik moest aarden, een nieuwe plek vinden in deze vreemde maatschappij. Dat kost tijd.’  Ze benadrukt het belang van een goede begeleiding op de werkvloer. ‘Het helpt als er echt goed naar je geluisterd wordt.’

Aandacht voor die werkvloer is er ook in de verschillende workshops.  ‘Werkgevers zijn soms terughoudend met het aannemen van vluchtelingen. Programma’s waarbij sprake is van matching, van simpele activiteiten waarin nieuwkomer werkgever ontmoet, blijken goed te werken om een eerste drempel weg te nemen’, stelt Joline Verloove van KIS/Movisie, die de resultaten uit het dossier 'Wat werkt bij het bevorderen van arbeidsparticipatie onder statushouders?' deelt.

We kwamen erachter dat we allerlei prachtige instrumenten en trajecten hebben om mensen naar werk te begeleiden, maar dat het taalniveau van dit aanbod vaak te hoog is, zeker wanneer we eerder willen beginnen.

Een van de deelnemers, werkzaam bij VluchtelingenWerk, raadt aan om statushouders te koppelen aan mensen uit dezelfde beroepsgroep in Nederland. ‘We hadden een jongen uit Jemen die kraanmachinist was geweest, doordat hij in gesprek ging met een kraanmachinist in Nederland kreeg hij een veel beter beeld van het werk hier.’

Verwachtingen

Vroegtijdig de juiste verwachtingen scheppen, adviseert Moniek van Eekeren van de gemeente Utrecht. Veel eerder moeten nieuwkomers ‘een realistisch beeld’ krijgen van de arbeidsmarkt om teleurstelling te voorkomen. Met bedrijfsbezoeken kunnen nieuwkomers in Utrecht straks eerder kennismaken met de Nederlandse werkvloer.  Het is een klein onderdeel van de Utrechtse aanpak ‘De doorgaande lijn’, die al vooruitloopt op het nieuwe inburgeringsstelsel.

Beleidsadviseur Monique Romeijn: ‘We gaan naar een andere aanpak waarbij activering en persoonlijke aandacht centraal staat. Met bijvoorbeeld extra conservatielessen naast de inburgeringslessen. We zijn vooral op zoek naar combinaties tussen leren en werken, in samenwerking met werkgevers en taalscholen. ’

De nieuwe aanpak leidt tot nieuwe inzichten, vult collega Van Eekeren aan. ‘We kwamen erachter dat we allerlei prachtige instrumenten en trajecten hebben om mensen naar werk te begeleiden, maar dat het taalniveau van dit aanbod vaak te hoog is, zeker wanneer we eerder willen beginnen.’

De gemeente houdt op het AZC al een ‘brede intake’ met statushouders die in Utrecht komen wonen, waarna vervolgens een persoonlijk plan wordt gemaakt. De gemeente werkt nu aan nieuwe werk/leertrajecten richting kansrijke sectoren zoals zorg en horeca. ‘In het begin neemt de taal de meeste tijd in beslag en langzaam groeit het aandeel in de praktijk. Je hoeft niet meteen de naam van het mes te weten om al champignons te kunnen snijden.’

Een van de deelnemers wil weten of de gemeente Utrecht deze trajecten allemaal kan financieren? Dat blijkt inderdaad nog een heikel punt.  Romeijn: ‘Er wordt bij de minister op aangedrongen om voldoende middelen beschikbaar te stellen om dit soort trajecten uit te voeren.’

Vrouwelijke statushouders

In een andere workshop staan KIS-onderzoekers Marjan de Gruijter en Jolanda Asmoredjo stil bij de wankele positie van vrouwelijke statushouders. Uit het onderzoek ‘Mind the gap’: barrières en mogelijkheden voor de arbeidsparticipatie van vluchtelingenvrouwen', blijkt hoe het groot het gendergap is. ‘Uit onderzoek weten we dat van de Syrische groep 4 procent van vrouwen tegenover 15 procent van de mannen aan het werk is’, schetst De Gruijter de situatie.

Het systeem focust vaak op de man en de vrouw verdwijnt uit beeld

Het gendergap blijkt in de praktijk lastig te dichten, weten de deelnemers. Vaak is het de man, eerder in Nederland gearriveerd en verder met zijn inburgering, die als eerste werk vindt, waarna het gezin uit de bijstand vertrekt. Op deze wijze verdwijnen bij veel gemeenten de vrouwen uit beeld. ‘De systeemlogica focust zo eigenlijk op de man. Vrouwelijke statushouders profiteren daardoor minder vaak van de gemeentelijke instrumenten, terwijl zij het vaak nog harder nodig hebben. De afstand tot arbeidsmarkt is dan vaak nog groter.’ Met armoede en blijvende afhankelijkheid van de man als mogelijk gevolg.

Het is een herkenbaar verhaal voor veel professionals. ‘Als een vrouw in een leerwerktraject zit en haar man vindt een baan en kan uit de bijstand, dan ben ik eigenlijk verplicht om haar traject te stoppen’, schetst een van de aanwezigen de huidige praktijk. ‘Dat doe ik niet, maar officieel heb ik geen middelen, geen tijd voor haar.’

Een andere deelnemer heeft haar hoop gevestigd om het nieuwe inburgeringsstelsel.  ‘Nu weten gemeenten bijvoorbeeld niet wie zijn of haar inburgering al heeft afgerond. Als we straks de regie op de inburgering weer terugkrijgen, als gemeente, hebben we dat overzicht wel en dan kunnen we in ieder geval zo de vrouw in beeld houden en begeleiden.’

Anderen bekeken ook

  • In een gemengd woonproject wonen verschillende groepen mensen doelbewust samen; bewoners onderhouden contact met elkaar en ondernemen gezamenlijk...

    Bekijk

5 bijdragen van onze lezers

Deel ook jouw kennis, ervaring of mening
In het gesprek met de statushouders wees alert of eigen verwachtingen van interpretatie wel kloppen of een culturele aanname zijn.
Eind jaren 70 was ik directeur van Stipevo, de Stichting Personeels Voorziening. Oorspronkelijk opgezet om metaalarbeiders aan nieuw werk te helpen. Stipevo was een algemeen uitzendbureau, dat een commerciële doelstelling, combineerde met een maatschappelijke doelstelling. De winst op het commerciële werk werd geïnvesteerd in arbeidsbemiddeling voor burgers met een achterstand op de arbeidsmarkt. Het commerciële werk was fundamenteel voor het succes van het maatschappelijk werk. Dat zorgde voor dagelijkse contacten met werkgevers die, afhankelijk van het commerciële succes, ook bereid waren te investeren in maatschappelijk succes. Daar was geen verplichtende wetgeving voor nodig. Daar was ook geen gedoe met zoiets als 'inclusie' voor nodig. Toegevoegde waarde, begrip en solidariteit des te meer. Het draagvlak onder de sociale partners om iets goeds te bereiken was groot. Een zo kort mogelijke periode zonder werk was essentieel. Degenen die een beroep op Stipevo waren bereid om werk onder hun (intellectuele/taalkundige) niveau te accepteren. Die hielpen wij aan werk. Het arbeidsbureau deed dat niet, dat was geen 'passend' werk. Alsof de lange werkloosheid die daar het gevolg van was, wel passend was! Er is voldoende werk in Nederland waar taalvaardigheid ondergeschikt is. Dat leidt tot inkomen, tot onafhankelijkheid en daarmee tot zelfvertrouwen. Het geeft stabiliteit en veiligheid en van daaruit werk je verder aan taalvaardigheid en bijscholing om door te kunnen groeien. Mijn Marokkaanse kapper is jurist. Zijn Nederlands begint, nu na een jaar, al heel behoorlijk te worden. Hij weet al welke taalopleiding hij het komend jaar gaat volgen, daarna de moeilijke stap om zich het westers recht eigen te maken. Hij is vol hoop om dat tot een goed einde te brengen.
De vrouwen komen meestal uit een vrouwonvriendelijke cultuur en samenleving. de rollen zijn heel duidelijk verdeelt. Vrouw hoort thuis te zijn en man buiten huis zakken regelen. De hoofden van deze vrouwen zijn geprogrammeerd op deze wijze. De mind-set bij deze groep moet wordt veranderd. We moeten aan de doelgroep nieuwe gedachtegoed geven. Men zou zich niet anders gaan gedragen, als geen nieuwe gedachtegoed krijgen en accepteren. Dat is iets wat de st.Femina in het noorden van het land doet.
Van 2010 tot 2013 werkte ik bij de gemeente IJsselstein als trajectbegeleider en accountmanager voor alle clienten die werkzoekend waren. Vanaf aanvang uitkering ging men direct naar "IJsselstein Werkt", waar men een paar maal per week een traject volgde. Werkgevers bezochten ons om ter plaatse sollicitatiegesprekken te voeren met mogelijke kandidaten, kort en snel handelen, evt. een proefplaatsing regelen. Voor eenvoudig schoonmaakwerk was het taalniveau minder belangrijk dan motivatie en zo werd er maatwerk geleverd. Naast onze trajecten naar werk waren er mooie trajecten Sociale Activering, daar kwamen clienten die nog niet aan werk toe waren een paar keer per week bijeen. Ze konden er de taal verbeteren, leerden over gezondheidszorg, deden vrijwilligerswerk (klussenbus) en legden contacten. Het was een voortraject naat werk en werd als heel waardevol ervaren vooral door de vrouwen. Er werd genetwerkt, gekookt, gehuild en gelachen, niemand werd buiten gesloten. Er werd geen verschil gemaakt tussen man, vrouw, cultuur, opleidingsniveau, men leerde van elkaar. Helaas kwam er een eind aan de trajecten omdat er een samenwerkingsverband kwam met nog 4 gemeenten. Ik vond het een gemis. Waarom zo'n goede aanpak verlaten? Ik hoop dat de nieuwe inburgeringsaanpak succesvol wordt. Op dit moment is er sprake van veel overlapping. Taalscholen geven Ona-les, werktrajecten worden ingekocht ( dezelfde inhoud) en de consulent werk geeft ook workshops. Met andere woorden clienten krijgen veel aanbod, maar werkt het ook? Ik heb recent de Nt2-opleiding afgerond en was verbaasd over de inhoud van de lessen (veel standaard oefeningen) die niet beklijven omdat er een link met de praktijk ontbreekt. Cursisten kiezen zelf een school, er is geen afstemming mogelijk met de gemeenten. Ona-lessen over wensberoep en motivatiebrieven, competenties en vaardigheden zijn voor cursisten op A2-niveau vaak abacadabra. De kaarten moeten worden ingevuld voor DUO. In de Nt2-lessen worden buitenschoolse opdrachten gegeven: " ga kijken hoe je een OV-kaart aanvraagt, wat je tegen de dokter zegt, hoe je iets op marktplaats kunt verkopen". De buitenschoolse opdrachten worden meestal niet uitgevoerd omdat het geen maatwerk is of de drempel te hoog. Ik denk dat de cursisten echt iets anders nodig hebben om in te burgeren en wel direct een maatwerktraject waarbij resultaten gemeten kunnen worden ( sociale activering en toeleiding arbeidsmarkt gaan hand in hand samen). Dan wordt er vanzelf taal verworven en kunnen er apart taallessen worden ingekocht al naar gelang noodzakelijk. Ook kunnen de ingeburgerden ingezet worden om de nieuwkomers bij te staan en is er samenwerking nodig tussen gemeenten, vluchtelingenwerk, taalscholen en werkgevers. Er is veel werk en werkgevers zijn bereid mee te denken, maak daar gebruik van. Wacht niet totdat een taaltraject afgerond is, maar ga direct een plan maken met de inburgeraar en zorg voor afstemming. Ik wil mij hiervoor inzetten.
Als reactie op jullie artikel ‘Arbeidsparticipatie vluchtelingen moet en kan beter’ heb ik een artikel gepost op LinkedIn onder de naam ‘De verlanglijst van de vluchteling’ (https://www.linkedin.com/pulse/de-verlanglijst-van-een-vluchteling-kees-de-gruiter/). Bij City Safari hebben we veel ervaring met persoonlijke ontmoetingen met de hele diversiteit van de stad. Van die mogelijkheid wordt ook veel gebruik gemaakt door beleidsmakers en -uitvoerders die zo, los van de verhouding tot de vluchteling van hulpverlener of lotsbestemmer, informeel het gesprek kan aangaan. Ik kan me goed voorstellen dat we als City Safari ook buiten deze specifieke problematiek een bijdrage kunnen leveren aan het kennisplatform. Wij hebben sinds 1998 inmiddels 125.000 persoonlijke ontmoetingen georganiseerd en daar gaan we mee door, maar de opgedane kennis gaan we bundelen in de stichting Diverse Ontmoetingen.

Jouw bijdrage

9 + 8 =
Geef het antwoord op deze rekenoefening. Voorbeeld voor 1+3: voer 4 in.