Wijzend naar de peuterbijbel zegt mijn zoontje David (3) ‘Boekje van God’. Over het boek dat er naast staat zegt hij: ‘Koran. Ook een boekje van God.’ Theologisch gezien gaat zijn peuterwijsheid misschien niet helemaal op. Wel is het een mooie interreligieuze boodschap door kleine David/Dawud/Dawid. Even later vliegt hij echter wat uit de bocht. Hij bladert door een pocket size Koran die we ooit op vakantie in Montenegro hebben gekocht. ‘Boekje van God’, zegt hij weer en zet vervolgens uit volle borst ‘Glóoóória in Excelsis Deo!’ in. Hmm... gevalletje van klok en klepel...

Als jonge vader, die zelf van huis uit niks over religie heeft meegekregen, wil ik mijn zoontje toch wat bijbrengen op levensbeschouwelijk gebied. Hoe aandoenlijk bovenstaande anekdotes ook zijn, eigenlijk symboliseren ze de lastige balanskunst die ik ervaar. Het idee is leuk, een speelgoed Ark van Noah, mee naar de kinderkerstmis. Echter, als ik mezelf hoor voorlezen over wat God geschapen heeft en wat er volgens de peuterbijbel al dan niet goed zou zijn, word ik toch een beetje in verlegenheid gebracht. Hoe sta ik hier zelf eigenlijk tegenover en hoe breng ik dit op hem over? Als dé waarheid? Een van de mogelijke waarheden? Ben ik een neutraal doorgeefluik of moet ik er zelf wat van vinden? Kun je wel neutraal zijn? Zulke vragen spoken door mijn hoofd.

Angstvallig stil

Het doet me denken aan de vraag die ik al enkele jaren aan mijn studenten Pedagogiek stel tijdens de colleges Sociologie. Ieder jaar peil ik de levensbeschouwelijke stand van zaken in de collegebanken. Steevast is het aantal pedagogen in spé dat zichzelf als ‘niet-religieus’ bestempelt in de overgrote meerderheid. Op de vraag wat het betekent om niet-religieus te zijn, kijken de meesten me echter niet-begrijpend aan.

Interessanter en vooral prangender wordt de vraag: ‘En als je dit niet weet, hoe ga je dan om met gezinnen die wel religieus zijn?’ Ook op deze vraag - toegegeven, geen gemakkelijke - blijft het vaak angstvallig stil. Je kunt het deze studenten niet echt kwalijk nemen. Je hoeft maar een oppervlakkige scan van de site van een kennisinstituut als KIS te doen en het wordt al snel duidelijk dat vele professionals in het onderwijs en de opvoedondersteuning het ook niet zo goed weten.

Blijf de ander en jezelf ontmoeten vanuit kritische openheid

Binnen de opleiding Fontys Hogescholen Pedagogiek zijn we er, geïnspireerd door KIS, mee aan de slag gegaan. Als logisch vervolg op mijn promotieonderzoek aan Tilburg University, waarin ik de ouderschapservaringen en -praktijken van jonge (2e en 3e generatie) Nederlandse moslimouders bestudeer. Hoe geven zij vorm aan religieuze opvoeding in een gepolariseerd en geseculariseerd land? Wat voor verlegenheden komen zij zelf tegen als ouders, hoe gaan ze hiermee om en op welke manier kunnen zij hierin (beter) ondersteund worden?

Voortbouwend op mijn promotieonderzoek heb ik een vertaalslag naar de opleiding Pedagogiek gemaakt. In nauwe samenwerking met tal van organisaties en mijn collegae Jeroen Pouw, Sabah Ouhassou en Hadiya van Moorselaar is een onderwijsmodule (‘Opvoeding, Levensbeschouwing en Diversiteit’) ontwikkeld. In deze module werken studenten in duo’s aan levensbeschouwelijke opvoedvragen van een ‘gastgezin’. Die gezinnen zijn heel divers, qua gezindte en achtergrond. De vragen waarmee studenten werken zijn heel praktisch: ‘Hoe kan ik mijn kleuter spelenderwijs iets leren over God?’ of ‘Hoe ga ik om met weerstand tegen het geloof van mijn puberende zoon?’

In ontwikkeling

Een module ontwikkelen gaat met vallen en opstaan, met goed luisteren en kijken naar wat er gebeurt en inspelen op wat er misschien beter kan. De feedback van studenten is daarbij cruciaal. Hun verwachtingen en vragen, hun ervaringen, teleurstellingen en worstelingen zijn input voor het vervolg. Dat vraagt een andere houding van alle betrokkenen. De studentes Hannah en Semira* zeiden daarover: ‘We hebben dit ervaren als een nieuwe manier van onderwijs volgen. Het was wennen om zoveel inspraak te hebben in de vorm en inhoud. Meestal werk je binnen vooraf bepaalde kaders, in deze module werden de kaders gaandeweg bepaald in dialoog. Dit zorgde ervoor dat je als student actiever en kritischer aan het denken wordt gezet.’

We zijn met z’n allen aan het boetseren en gaan daarmee door. We hopen collega’s van andere opleidingen te inspireren en motiveren om ook in hun eigen praktijk werk te maken van religieuze diversiteit.

Een tussentijdse conclusie? Blijf de ander en jezelf ontmoeten vanuit kritische openheid. Minstens zo belangrijk is om de verlegenheid niet uit de weg te gaan, maar haar in alle kwetsbaarheid tegemoet te treden. Juist als mijn zoontje ‘Gloria’ zingt terwijl hij door de Koran bladert geeft dat een aanknopingspunt om het gesprek met hem te voeren. Ik neem me voor hem kennis te laten maken met zoveel mogelijk verhalen, bronnen en voorbeelden van hoe je leven mag en kunt. En... ik zal hem deelgenoot maken van mijn eigen handelingsverlegenheid.

* Mijn dank gaat uit naar Semira Čamdžić en Hannah Smolenaers. Zij hebben de module gevolgd en bijgedragen aan de totstandkoming van dit blog.

 

Jouw bijdrage

1 + 0 =
Geef het antwoord op deze rekenoefening. Voorbeeld voor 1+3: voer 4 in.