Allereerst mijn rol als (witte) onderzoeker. Ben ik wel de aangewezen persoon om, zoals ik wel heb gedaan, onderzoek te doen naar ontwikkelingen in opvoeding in Surinaamse gezinnen? Mensen menen soms van niet. Ik denk dat het voordelen kan hebben een relatieve buitenstaander te zijn; mensen die je interviewt leggen dan eerder aan je uit waarom ze de dingen doen zoals ze doen, of waarom ze bepaalde opvattingen hebben en waar die vandaan komen. Tegelijkertijd is enige gevoeligheid en kennis nodig om verhalen goed te kunnen duiden, zoals ook geldt voor beroepskrachten die met ouders van diverse herkomst werken. Soms verdient vanwege de taal of vertrouwdheid een onderzoeker met dezelfde herkomst als de geïnterviewde de voorkeur.

Een etnisch gemengd team is naar mijn ervaring heel waardevol, zeker als de kennis  goed wordt benut bij duiding. Onderzoekers behoren zelf overigens maar zelden tot de exacte doelgroep die ze onderzoeken. Als dat wenselijk werd geacht, zouden we  alleen kennis vergaren over hogeropgeleiden. Mijn onderzoek zich overigens steeds vaker op wat er in het systeem (van opvoedondersteuning bijvoorbeeld) nodig is om op diversiteit  in te spelen, dan op ontwikkelingen binnen specifieke etnische groepen. Dat past ook beter bij de huidige maatschappelijke en beleidscontext.

Verschillen die ertoe doen

Dan het andere punt: onderscheid maken naar etnische herkomst. Mag dat? Ja, ik vind het verdedigbaar om te kijken naar verschillen tussen etnische groepen. Bijvoorbeeld als er signalen zijn, of als vanuit eerdere kennis is te veronderstellen dat er verschillen zijn die ertoe doen. Verschillen waar beleidsmatig of in de praktijk van bijvoorbeeld ondersteuning aan gezinnen aandacht voor zou moeten zijn. Dit in het kader van gelijke kansen en toegankelijkheid van Nederlandse voorzieningen voor iedereen. Via onderzoek kan worden nagegaan of die verschillen er daadwerkelijk zijn, waar ze er wel en niet zijn binnen groepen, wat ze betekenen voor betrokkenen en voor de ontvangende samenleving. Juist door onderzoek te doen, kan soms nuance in het maatschappelijk debat worden gebracht (zie mijn blog De Surinaamse opvoeding bestaat niet). Zorgvuldigheid is daarbij belangrijk, zowel bij onderzoek zelf als in de rapportage erover en de communicatie over onderzoek naar buiten. Zo is het passend om er niet op voorhand van uit te gaan dat etnische herkomst de belangrijkste factor is waarmee verschillen samenhangen.

'Onderzoekers dienen zich bewust te zijn van maatschappelijke discussies en hun invloed daarop'

Zorgvuldig taalgebruik

Ook zorgvuldig taalgebruik is van belang. Bij de aanduiding van verzamelcategorieën als migranten, Nederlanders van niet-westerse herkomst et cetera, maar ook bij de benaming van specifieke groepen. Bijvoorbeeld Afro-Surinamers in plaats van Creoolse Surinamers, als dat ook binnen groepen zelf meer wordt gehanteerd. Niet te gemakkelijk spreken van onderzoek ‘onder’ of ‘naar’ bepaalde groepen. Dat kan de indruk geven dat de onderzoeker zich boven de betreffende groep plaatst of uitspraken doet over de gehele groep, terwijl er veel variatie is binnen groepen. Onderzoekers dienen zich bewust te zijn van maatschappelijke discussies en hun invloed daarop. Bovendien is co-creatie belangrijk; goed contact met vertegenwoordigers (bijvoorbeeld vrijwilligers) van verschillende etnische gemeenschappen in Nederland, of met professionals van uiteenlopende herkomst, over wat belangrijk is om gelijke kansen en toegankelijke voorzieningen voor iedereen te creëren. Er moet oog zijn voor positieve ontwikkelingen, de toenemende variëteit aan etnische groepen, verschillen tussen migratiegeneraties en overeenkomsten tussen burgers van diverse (ook Nederlandse) herkomst. Met aandacht voor verschillende meningen over wat belangrijke thema’s of oplossingen zijn. Een platform geven. Dat doen we bij het Verwey-Jonker Instituut onder andere op www.kis.nl.

Tot slot: een heel belangrijke reden om wél onderscheid te maken naar etnische herkomst, is dat de veronachtzaming van het belang leidt tot het produceren van kennis over alleen de gemakkelijk bereikbare groepen. Over de meeste interventies en methodieken die worden gebruikt in het jeugdveld bijvoorbeeld, weten we niet of ze werken voor ouders met een migrantenachtergrond of voor lageropgeleiden. Een maatschappelijk vraagstuk waar aandacht voor moet zijn.'

Dit stuk is een verkorte versie van de lezing die Marjolijn Distelbrink gaf tijdens een expertmeeting georganiseerd door het Fonds Wetenschappelijk Onderzoek Seksualiteit (FWOS). Marjolijn Distelbrink is senior onderzoeker bij het Verwey-Jonker Instituut en themacoördinator Participatie van Kennisplatform Integratie & Samenleving. Sinds de jaren ’90 doet zij onderzoek naar positiebereik en kansen, toegankelijkheid van voorzieningen en naar ontwikkelingen op het gebied van o.a. opvoeding, emancipatie, vaderschap binnen groepen Nederlanders met een migrantenachtergrond.

Hoe denken de andere experts over de focus op etniciteit bij onderzoek naar seksualiteit? Lees wat Marianne Cense en Amade M'charek zeggen.