Vraag & antwoord

De vraag:

Hoe denken jongeren over hun toekomst in Nederland?

Vraag & antwoord - 2 juli 2017

De toekomstvisie van jongeren van Nederlandse komaf en met een migratieachtergrond komt veelal overeen. Werk en inkomen hebben prioriteit. Er wordt veel waarde gehecht aan een vaste baan en ‘inkomenszekerheid’. De ouders trots maken, reizen, een eigen woning en trouwen staan ook hoog op de wensenlijst.

 

Jongeren denken zelf dat ze het meest beïnvloed worden door familie en vrienden als het gaat om hun toekomstoriëntatie. Daarnaast zijn ze van mening dat school een rol hierin speelt. Jongeren met laagopgeleide ouders maken veelal zelfstandig keuzes over hun toekomst, als het gaat om onderwijs. Terwijl jongeren met hoogopgeleide ouders vaker ‘instemming’ van ouders vragen.

Het verband tussen de opleiding van de ouders en het toekomstbeeld van jongeren lijkt sterker dan het verband met de etnische achtergrond. Jongeren met hoogopgeleide ouders zien de toekomst op veel terreinen positiever in dan jongeren met laagopgeleide ouders. Zij voelen zich onder andere prettiger in Nederland, hebben meer vertrouwen in hun kansen en zijn positiever over bijvoorbeeld interculturele contacten dan jongeren met laagopgeleide ouders.

Jongeren zijn vooral op zoek naar zekerheid als het gaat om oriëntatie op arbeid. Na zekerheid zijn ook ‘werk dat iets betekent voor anderen’ en ‘goed verdienen’ voorwaarden die jongeren belangrijk vinden om een toekomst op te bouwen.

Anderen bekeken ook

Jongeren denken - ongeacht hun etnische achtergrond - overeenkomstig over hun toekomst en leven in Nederland. Dat blijkt uit ons onderzoek Gedeelde Toekomst.

Contactpersoon

  sdewinter@verwey-jonker.nl
  030-2303247

Heeft u een vraag?

Heeft u een vraag over integratie en diversiteit? Wordt er volgens u te weinig aandacht aan een onderwerp besteed? Of kan iets beter? Wij geven graag antwoord.

Stel uw vraag

Wat doen wij met uw vraag?

U krijgt van ons altijd reactie. De aard en omvang van uw vraag bepalen hoe wij die beantwoorden.

Lees verder >

Reacties

Taha Al Bakdali

Indien het gaat om het buitensluiten van allochtone sollicitanten door werkgevers vanwege het vermoeden dat zij de taal niet óf onvoldoende machtig zouden zijn, dan treft ten aanzien van dit gerezen probleem de politici alle blaam, dunkt mij. Tijdens debatten over integratie leggen deze politici uit zowel het rechtse als het linkse kamp er te pas en onpas de nadruk op dat allochtonen niet taalbeheerst zouden zijn. Indien zij actief het Nederlands zouden willen leren dan zou de werkgelegenheid onder deze categorie automatisch tot een beheersbaar minimum zijn gedaald. Zeer waarschijnlijk doelen zij meer op de nieuwkomers , asielzoekersen en op een fractie oudkomers die in een isolement zou leven en bij wie de Nederlandse taalbeheersing erbarmelijk te wensen over zou laten. Men heeft het niet over de grote aantallen allochtonen die zeer creatief met het Nederlands overweg kunnen. De zinsformulering van de politici brengt semantisch een geheel andere boodschap met zich mee dan wat zij er primair mee beoogden. De Joep Meloen van de afdeling P&O van enig bedrijf en/of instelling bij wie die deze boodschap ten gehore komt , raakt hierdoor alleen maar gesterkt in zijn overtuiging om sollicitanten met een on-Hollands verklankte naam werktuiglijk ter zijde te schuiven. Dit is een heropleving van een gedraging uit de jaren zeventig toen men zonder enig speurwerk aannam dat mensen met een niet blank uiterlijk het Nederlands niet machtig zouden zijn en niet over kwaliteitsdiploma's zouden beschikken. Het genootschap van de taal te Den Haag benevens de Nederlandse taalunie constateerden ooit dat allochtonen een veel groter respect voor het Nederlands zouden hebben dan autochtonen zelf. Deze laatste voelen zich taalbeheerst door het enkele feit dat zij zich omringd wanen door taalonbeheerste allochtonen tegenover wie zij meer dan eens als een taalguru moeten optreden. Voor vele Hollanders is het spreken met een Hollands accent pas echt Nederlands spreken . De zinsformulering zou er niet direct toe doen. Bij deze Nederlanders staat zelfs in een correct geformuleerde zin het onderwerp in een krolse omhelzing met het meewerkendvoorwerp terwijl de kronkel in de ene regel smachtend lonkt naar zijn spiegelbeeld in een volgende regel. Dat wat accent in Nederland betekent is niet zozeer het roemruchte apostrofje boven een bepaalde lettergreep maar de spraakklank. Spraakklank zijn de sterke invloeden vanuit de moedertaal en/of de taal die men van huis uit spreekt die in alle andere blijven doorwerken. Het is toch zot voor woorden wanneer iemand met een bepaald accent spreekt en daarbij ook nog presteert het accent verkeerd te leggen. Wat doet die persoon dan precies om in termen van accent te praten? Voor de verstaanbaarheid is direct verantwoordelijk de articulatie en niet het roemruchte accent dat in betekenis fout wordt toegepast. Het Nederlands taalgebied is blijkens wetenschappelijke onderzoeksrapporten al sinds 1983 aan het eroderen. De erosie is dusdanig sterk dat kwaliteits-opiniebladen die in de vorige eeuw de reputatie hadden van bladen voor intelligentsia,thans qua syntactische verzorging amper verschillen van diverse schoolkranten en het straatnieuws. Uitgeverijen durven werken van literaire grootmeesters als Vestdijk, Couperus, Perron etc. niet meer te herdrukken omdat het leesvolk ervoor allang is uitgestorven. Waarom al die heisa jegens allochtonen die als het ware slecht taalvaadig zouden zijn en geen Nederlands zouden willen leren? Nederlanders zijn zelf de grootste prutsers binnen hun eigen moedertaal.

Reageer

Log in of word lid van het platform om te reageren!