Hoogleraar Hans Boutellier noemt zichzelf ‘kind van de secularisering’. Opgegroeid in een katholiek gezin in Haarlem is hij later met vele anderen in Nederland vanaf de jaren zestig ‘van God los’ gaan leven. Onlangs kwam zijn nieuwe boek Het Seculiere Experiment uit. Hierin onderzoekt hij of het seculiere uitgangspunt nog houdbaar is en wat de betekenis van religie is in onze diverse samenleving.

Vijftig jaar geleden ging alles op de schop. God verdween drastisch uit de samenleving. Hij trok zich terug in de hoofden van de mensen, zo staat op de achterflap van Boutelliers boek. In het voorwoord schrijft de wetenschappelijk directeur van Verwey-Jonker Instituut dat de vraag naar maatschappelijke betekenis van religie zich nu opnieuw aandient. Een interview met Boutellier in een kantoor van “zijn” Verwey-Jonker Instituut, waarbij hij de vragen op persoonlijke titel beantwoordt.

Boutellier: ‘Ik hoorde een jonge moslima zeggen dat ze met haar autochtone leeftijdsgenoten niet over het geloof kan praten. Ik snapte dat wel, mijn eigen kinderen hebben ook weinig kennis van religie. Zo heb ik ze ook opgevoed, op het voorlezen van de kinderbijbel na. Maar door de komst van nieuwe religies voel ik de maatschappelijke urgentie om na te denken over wat de rol van religie is, of wat secularisering in deze tijd betekent. Waar gáán we nu in onze samenleving voor? Over onderwerpen als religie zijn we enerzijds emotioneel maar anderzijds vooral sprakeloos geworden. In mijn boek stel ik de vraag: wat is die seculiere conditie nog waard?’

'Radicalisering zit niet zozeer in de zuiverheid van het geloof maar in de angst voor de twijfel'

En wat is daarop het antwoord?
‘Je zou kunnen zeggen dat diepe twijfel kenmerkend is voor de westerse cultuur. Dit is al eeuwenoud. Ik twijfel, dus ik ben, zei filosoof Descartes al. Voor heel lange tijd ging die twijfel gepaard met de grote religieuze verhalen die mensen een consistente identiteit gaven. Deze grote verhalen zijn vergruizeld. Twijfel is massaal geworden. Dat is vaak lastig voor mensen. Daarom is het voor sommigen aantrekkelijk om een fundamentele vorm van religie te omarmen. Dat kan echt een verademing zijn. Radicalisering zit niet zozeer in de zuiverheid van het geloof maar in de angst voor de twijfel. Dat is het probleem. Tegelijkertijd maakt de westerse traditie van de twijfel het zo lastig om een houding aan te nemen ten opzichte van mensen die zeggen “ik weet wat waar is”.’

Is het seculiere experiment dan wel geslaagd?
‘Ja en nee. Ik constateer dat het in zekere zin gelukt is doordat we, wat ik noem, een ‘pragmacratie’ hebben ontwikkeld. Onze pragmatische samenleving zonder verbindende moraal heeft ons enorme welvaart, vitaliteit van de rechtsstaat en vrijheid gebracht. We hebben een probleem met die vergruizeling van grote verhalen maar we hebben iets heel moois dat daar tegenover staat.’

kerkbanken
 

Toen in de jaren zestig Nederland ‘van zijn geloof viel’, kwamen toevallig ook de eerste gastarbeiders naar Nederland. Begin 2015 wonen er ruim 3,6 miljoen mensen van niet-Nederlandse herkomst en doet zich in steden als Rotterdam en Amsterdam een nieuwe ontwikkeling voor: minderheden zijn hier de meerderheid geworden. De wetenschap spreekt van ‘superdiversiteit’ waarbij diversiteit de nieuwe norm wordt. Lees ook de blog Is superdiversiteit supertof? hierover.
 

'We moeten streven naar gemeenschappelijke momenten of thema's, niet naar gedeeld burgerschap'

Superdiversiteit is een mooie term maar wat kunnen professionals daar concreet mee?
‘Superdiversiteit brengt een andere mindset met zich mee. Je stapt af van het idee van integratie als een minderheid die opgaat in de meerderheidscultuur. We moeten streven naar het creëren van gemeenschappelijke momenten of thema’s, niet naar gedeeld burgerschap. Dit is een wezenlijk ander uitgangspunt. Gedeeld burgerschap uit zich bijvoorbeeld in inburgeringscursussen die mensen leren hoe ze zich moeten gedragen op een verjaardagsvisite in Nederland. Dat is toch gewoon gênant? Gedeelde normen en waarden, ik geloof daar niet meer in. Daar is de situatie te divers voor geworden.’

Hoe verhoudt die superdiversiteit zich tot het huidige algemene integratiebeleid?
‘Ik ben ervan overtuigd dat we er niet komen met een generiek beleid waarbij het uitgangspunt is dat je met eenduidig beleid alle burgers bereikt. Dat is te simplistisch en naïef gedacht. De gezondheidszorg moet generiek zijn, maar dan moet er voor sommige groepen een schepje bovenop komen anders worden zij niet bereikt. Voor sommigen is het echt van belang dat ze extra ondersteuning op maat krijgen om zo mee te kunnen doen in de samenleving.’

Maar wordt maatwerk niet lastiger als we superdivers zijn?
‘Ik denk niet dat elke etnische groep zijn eigen beleid moet hebben. Je hebt het over generiek beleid maar met specifieke inspanningen, afhankelijk van de problematiek en de kansen die zich voordoen.’

Denkt u dat heel Nederland in de toekomst superdivers is?
‘Nee, niet per se. Ik denk meer aan een eilandenrijk, een archipel, met superdiverse steden die een heel andere dynamiek hebben dan bijvoorbeeld de krimpgebieden. De diversiteit is niet overal aanwezig. Diversiteit leidt tot een differentiatie van snelheden. Dat maakt het idee van ‘Nederlandschap’ lastig. Wat is Nederland dan nog precies?’

Het hoofdstuk ‘Het versleten begrip integratie’ sluit af met de zin dat het land dat zijn diversiteit productief weet te maken de beste papieren voor de toekomst heeft. Wat moet ik me daarbij voorstellen?
‘Diversiteit productief maken gaat er echt om dat je mensen daadwerkelijk maximaal of optimaal mee laat doen in de samenleving. Misschien een slappe tekst, maar daar gaat het uiteindelijk wel om.’

Boutellier pakt er een schrijfblok bij en tekent drie gelijke vlakken op papier. Deze staan voor de drie domeinen ‘rechtsstaat & rechtsorde’, ‘economie & onderwijs’ en ‘cultuur & identiteit’. Domeinen waar – in omgekeerde volgorde – de begrippen ‘vrijheid’, ‘participatie’ en ‘acceptatie’ de sleutelwoorden zijn en die tezamen volgens hem de praktijk van het integratiebeleid omvatten.

Boutellier: ‘Dit is een model om structuur aan te brengen in het integratiedebat. Het zogenaamde integratiedebat doorkruist vaak alle domeinen en is daardoor heel chaotisch geworden. Elk verschijnsel kun je vanuit een van deze domeinen moeten beoordelen. Als mensen zich houden aan de wet, optimaal meedoen aan de economie en de samenleving… dan moet je niet zeuren over bijvoorbeeld het dragen van hoofddoeken. Wat doet dat er dan nog toe?’

 

Het seculiere experiment van Hans Boutellier is verkrijgbaar bij uitgeverij Boom Filosofie.

Jouw bijdrage

2 + 0 =
Geef het antwoord op deze rekenoefening. Voorbeeld voor 1+3: voer 4 in.