Hoe kunnen gemeenten, in samenwerking met maatschappelijke partners, statushouders beter en passender ondersteunen in hun weg naar werk of studie? Wat zijn belangrijke aandachtspunten en mogelijke acties?

De werkloosheid onder statushouders is hoog. Slechts een op de tien nieuwkomers heeft twee jaar na het verkrijgen van een verblijfsvergunning werk. Natuurlijk heeft dit gevolgen. Net als bij mensen met een Nederlandse achtergrond kan werkloosheid bij deze groep zorgen voor armoede en schulden, voor eenzaamheid en vervreemding, en voor fysieke en mentale gezondheidsproblematiek. Voor veel statushouders zijn dergelijke gevolgen extra ingrijpend. Soms heeft dit te maken met traumatische (oorlogs)ervaringen, soms met het ontbreken van een sociaal netwerk in Nederland, of met een beperkte beheersing van de Nederlandse taal. Bovendien zijn de Nederlandse arbeidsmarkt en het Nederlandse onderwijssysteem voor hen vaak extra moeilijk te doorgronden.

Vorig jaar publiceerde KIS een Wat-werkt-dossier over de arbeidstoeleiding van statushouders. Ook werd een verbetertool ontwikkeld, waarin wetenschappelijke kennis is vertaald naar praktische vragen en tips voor gemeenten en maatschappelijke organisaties. Dit jaar zet KIS een volgende stap, door bij een aantal gemeenten op bezoek te gaan, in te zoomen op de resultaten van de verbetertool, en samen concrete vervolgstappen te bedenken om statushouders zo goed mogelijk te ondersteunen in hun weg naar de arbeidsmarkt of een studie. Sittard-Geleen is een van die gemeenten: in maart vond een eerste bijeenkomst rond dit thema plaats, nu in mei een tweede, en in september een derde.

Naar de verbetertool

Constructief kritisch

Terug naar de bijeenkomst, waarbij – naast gemeenteambtenaren – ook vertegenwoordigers van onder andere het Centraal Orgaan opvang Asielzoekers (COA), de regionale GGD, het onderwijs, en VluchtelingenWwerk aanwezig zijn. 

Bora Avrić (KIS) licht het Wat werkt-dossier toe waarin vijf thema’s komen aan bod komen: taalvaardigheid, opleiding, kennis en (werknemers)vaardigheden, sociaal netwerk, gezondheid (en financiële problematiek) en de relatie met werkgever. Nadat Avrić de vijf thema’s heeft toegelicht, volgen er al snel aanvullingen, opmerkingen, en vragen vanuit de zaal. Hoe kunnen we bijvoorbeeld creatievere oplossingen aanreiken om een eventuele taalbarrière te overwinnen? En hebben we daadwerkelijk voldoende kennis van hetgeen er onder de doelgroep speelt? Weten we wel wat de verwachtingen en wensen van statushouders zijn wat betreft studie of werk? Avrić voegt daaraan toe: “We moeten ook verder denken dan de gemeente of dan grote bedrijven als werkgevers; kijk ook eens naar het MKB, of begeleid wie dat wil met het starten van een eigen onderneming.”

Beroepsperspectief

Aandachtspunten met deze strekking – wees creatief, probeer niet slechts vanuit je eigen perspectief te redeneren, en denk in mogelijkheden – komen tijdens de bijeenkomst veel terug. Als het om werk gaat, benadrukt een aanwezige, moeten we ons ook telkens afvragen in hoeverre de arbeidsmarkt in Nederland vergelijkbaar is met de arbeidsmarkt in het land van herkomst van de statushouder in kwestie. Beroepen kennen vaak een andere invulling, dit wordt mede veroorzaakt doordat in Nederland de digitalisering verder is. Daarnaast zijn statushouders niet altijd voorbereid op de wijze waarop onze arbeidsmarkt is ingericht. De flexibiliteit van de arbeidsmarkt is hun volkomen onbekend, stelt een deelnemer. In het proces richting arbeid is het van belang om niet te vergeten dat veel statushouders vooral bezig zijn geweest met overleven, en daardoor moeite hebben met plannen voor de lange(re) termijn. Dit heeft invloed op hun arbeidsmarktmogelijkheden, maar geeft ook aan dat doorpakken, dus meteen in actie komen als er contact is gelegd, essentieel kan zijn.

Onderschat niet wat een Poolse arbeidsmigrant met een eigen bedrijf kan betekenen voor een Syrische statushouder die als zzp’er aan de slag wil.

Bruggenbouwers en rolmodellen

Wat verder meermaals terugkomt in de gesprekken deze ochtend, is het inzetten van ervaringsdeskundigen, sleutelfiguren, bruggenbouwers, of rolmodellen. Al deze termen worden genoemd, wat ermee wordt bedoeld is telkens min of meer hetzelfde: zet (pro)actief mensen in die sensitief zijn voor de specifieke situatie van de statushouder, doordat zij zelf zijn gemigreerd naar Nederland en een start hebben moeten maken op de Nederlandse arbeidsmarkt. Soms is iemand uit de ‘eigen’ groep, iemand uit bijvoorbeeld hetzelfde land of dezelfde regio in dat land, heel waardevol. Maar onderschat ook niet wat, bijvoorbeeld, een Poolse arbeidsmigrant met een eigen bedrijf kan betekenen voor een Syrische statushouder die als zzp’er aan de slag wil.

Een statushouder die perfect Nederlands spreekt, heeft daar weinig aan als er op het werk alleen maar dialect wordt gepraat.

Duale trajecten

Het inzetten op de ontwikkeling van duale trajecten - inburgering + werk of Iinburgering + studie - wordt gezien als belangrijke actie. Hier wordt op verschillende manieren al aan gewerkt binnen de gemeente, maar verbetering is altijd mogelijk. Bovendien vraagt zo’n constructie niet alleen iets van werkgevers, maar ook van collega’s op de werkvloer. Een statushouder die perfect Nederlands spreekt, heeft daar weinig aan als er op het werk alleen maar dialect wordt gepraat. Train daarom werkgevers en (potentiele) collega’s van statushouders ook op het gebied van interculturele en interreligieuze sensitiviteit. Bedenk ook dat een automonteur er veel meer aan heeft dat zij of hij de Nederlandse woorden voor verschillende motoronderdelen kent, dan dat die persoon weet hoe die om suiker moet vragen in de supermarkt. Kortom: stem ook het taalaanbod zo af dat het de kansen op de arbeidsmarkt bevordert.

 

Jouw bijdrage

1 + 11 =
Geef het antwoord op deze rekenoefening. Voorbeeld voor 1+3: voer 4 in.