Overal in het land ontstaan initiatieven gericht op ondernemende nieuwkomers. De aandacht voor succesvolle voorbeelden – de kapper uit Damascus, de Afghaanse restauranthouder - is groot. Uit onderzoek van VluchtelingenWerk blijkt dat de weg naar zelfstandig ondernemerschap niet zonder obstakels is en dat nog maar een beperkt aantal vluchtelingen er in slaagt om een onderneming te starten en te behouden.

Het zijn veelzeggende cijfers. Slechts 57 procent van de vluchtelingen heeft na vijftien jaar in Nederland betaald werk. Het zogeheten refugee gap. Overal in Nederland proberen gemeenten inmiddels dit gat dit te dichten, blijkt ook uit onderzoek van Kennisplatform Integratie & Samenleving. De KIS-monitor Vluchtelingen aan het werk 2017 laat zien dat meer dan tachtig procent van de gemeenten specifiek beleid heeft ontwikkeld voor de arbeidstoeleiding van statushouders.

Op allerlei manieren - met speciale trainingen, vrijwilligerswerk en stages – wordt geprobeerd vluchtelingen naar werk te begeleiden. KIS onderzocht ook de ervaringen van werkgevers die statushouders een werk(ervaring)plek willen bieden en keek daarbij ook naar de samenwerking met gemeenten.

Aandacht

Naast de begeleiding naar regulier werk, schieten overal in het land nieuwe initiatieven uit de grond gericht om het ondernemerschap bij statushouders te stimuleren. Voor VluchtelingenWerk, nauw betrokken bij het eerste periode van vluchtelingen in Nederland, reden om onderzoek te doen naar deze initiatieven. ‘De aandacht voor succesvolle vluchtelingenondernemers is enorm’, constateert Henk Nijhuis van het landelijk bureau VluchtelingenWerk. ‘‘Vooral in de media en bij onderzoekers, we krijgen maandelijks verzoeken om mee te werken aan onderzoek naar ondernemerschap. Voor een aantal vluchtelingen kan het zeker de juiste weg zijn, maar we weten ook dat het aantal nieuwkomers dat succesvol een eigen bedrijf is gestart en overeind houdt beperkt is.’

Mooi verhaal

Een heilig geloof in de Dutch Dream?  ‘Een vluchteling die zelf – ondanks alle tegenslagen – slaagt een succesvolle onderneming op te bouwen, dat is natuurlijk een mooi verhaal. Zeker tussen alle ellende.’ Maar uit het onderzoek, uitgevoerd door Lysias Consulting en gefinancierd door het ING Nederland Fonds, blijkt dat de ondernemende nieuwkomer nogal wat obstakels moet overwinnen. In het rapport worden de succesfactoren en barrières op een rij gezet.

Zo is de groep vluchtelingen met ondernemersambities erg divers. Qua achtergronden, opleidingsniveau en ondernemerservaring. ‘Dat vraagt dus om maatwerk in de begeleiding’, stelt Nijhuis. Die ruimte is er echter niet overal en het verschil in aanpak is enorm.

'Ondernemen kun je niet in de schoolbanken leren. Maar, extra ondersteuning is belangrijk. Zeker in de bureaucratie. Zelf vond ik lastig en moeilijk te begrijpen dat ik – omdat ik al werkte – nergens voor in aanmerking kwam, nieuwkomers met een uitkering wel. Zij krijgen bijvoorbeeld geld voor de inrichting van hun huis. Een beetje hulp was in het begin zeker welkom geweest.'

              Maher Mansour, Syrische kapper

De onderzoekers maken onderscheid tussen de ‘lean startups’, een veelal individuele aanpak waarbij de onderneming centraal staat en de nadruk ligt op hands-on hulp en praktische kennis. Daarnaast zijn er de zogenoemde participatietrajecten waarbij ‘de ambitie en droom van de ondernemer in spe’ centraal. Deze trajecten worden meestal door gemeenten en in groepsverband georganiseerd. Maar, deze laatste vorm sluit zeker niet altijd aan bij de vragen van de deelnemers, die vaak met praktische dilemma’s zitten, zegt Nijhuis. ‘Dat kan bijvoorbeeld over gaan over een bedrijfspand of over de aanschaf van gereedschap, de hoogte van een krediet gaan terwijl alle andere vereiste ondernemersvaardigheden al in orde zijn.’

Het verschil in energie en benadering tussen deze twee ‘stromingen’ is groot, zegt Nijhuis. ‘De praktische lean startups sluit in de praktijk beter aan bij de ambitie van statushouders, maar de deelnemers raken vervolgens soms teleurgesteld door de bureaucratie of door een terughoudende opstelling van de gemeente, waardoor de vaart uit de plannen worden gehaald. Niet alle gemeenten zijn even enthousiast wanneer een vluchteling vanuit de bijstand wil gaan ondernemen, klinkt het.

Het maakt uit waar je woont

Het verschil tussen gemeenten is, zo blijkt uit het onderzoek, erg groot. De ene gemeente is er vooral op gericht om de vluchteling zo snel mogelijk aan het werk te helpen, de andere gemeente heeft minder haast en kijkt meer naar de capaciteiten, ervaringen en achtergronden van de persoon en is dus ook bereid vluchtelingen langer of intensiever te begeleiden. ‘Het maakt echt uit waar je woont’, stelt Nijhuis.

Ook blijkt uit het onderzoek dat is er de nodige onduidelijkheid bij gemeenten over het gebruik van de Bbz (Besluit bijstandsverlening zelfstandigen) is. Niet alle ambtenaren weten precies wat de regeling inhoudt en zijn daarom terughoudend vanwege het risico dat de gemeente loopt bij het verstrekken van krediet.

‘Ondernemen zit in mijn bloed. Ik had vroeger in Homs een babykledingzaak. Later – nadat we gevlucht waren – heb ik met mijn man nog een broodjeszaak gehad. Met hulp van de gemeente Breda hebben we in oktober 2017 ons cateringbedrijf geopend. Het gaat goed. Ik ga echt niet thuis zitten.’

              Nisreen Fathalla, cateringbedrijf Emissa Breda

Een ander obstakel is het complexe systeem van wet- en regelgeving waar statushouders die een eigen bedrijf willen beginnen, tegenaan lopen. Van het belastingstelsel tot vereiste vergunningen voor horecabedrijven. Volgens de onderzoekers een belangrijke drempel voor startende statushouders.

Samenhang

Een van de aanbevelingen aan gemeenten is onder meer om financieel ‘out-of the box’ te denken. Zo kunnen statushouders bijvoorbeeld met een kleine bijdrage gereedschap, grondstoffen of een bestelbus te kopen, zodat ze met de onderneming kunnen starten.’

Verder concluderen de onderzoekers dat er nauwelijks samenhang is in het aanbod. Initiatieven steken bovendien, volgens de onderzoekers, vooral veel tijd in de ontwikkeling en promotie van de eigen methode en soms minder in maatwerk richting de vluchteling. Nijhuis: ‘Veel van deze initiatieven zijn afhankelijk van subsidies en fondsen en moeten dus met meetbare resultaten moeten komen. Dit staat samenwerking en kennisdeling soms in de weg.‘

Verder constateren de onderzoekers dat de ‘klassieke’ ondernemersorganisaties nauwelijks een rol bij de begeleiding van de beginnende vluchtelingenondernemers. Volgens Nijhuis zou dit juist – die kennisuitwisseling tussen ervaren ondernemers en nieuwkomers – erg nuttig kunnen zijn.

Rotterdam

VluchtelingenWerk is zelf betrokken bij de pilot Eigen Baas in Rotterdam, waar juist op die samenwerking wordt ingezet. In deze pilot werken gemeente, Qredits, de organisatie voor microfinanciering, het Albeda Collega en VluchtelingenWerk nauw samen. Van de twaalf deelnemende vluchtelingen zijn inmiddels vijf een eigen zaak begonnen. In het programma wordt individuele coaching gemixt met lessen op het Albeda Collega en een online leergang van Qredits. ‘We hebben daar een enorm betrokken coach, Romke van der Steeg, die zelf ook veel ondernemerservaring heeft, die de deelnemers met veel enthousiasme begeleid.’

Alle hobbels ten spijt gelooft Nijhuis dat het ondernemerschap voor een groep vluchtelingen geen eenvoudige route maar wel een aantrekkelijke weg kan zijn. ‘Daar zijn ook mooie voorbeelden van. Maar dan moet wel goed gekeken worden wat werkt en wat niet. Nu blijven er kansen liggen.’ Hoe kan je die kansen pakken? VluchtelingenWerk zet een aantal aanbevelingen op een rijtje:

  • Besteed meer aandacht aan de intake om een goede match te maken
  • Informatie delen
  • Breng initiatieven in beeld
  • Investeer in een betere samenwerking tussen gemeente en initiatieven
  • Organiseer een ketenaanpak in de ondersteuning van ondernemende statushouders
  • Werk aan (financiële) out-of-the-box oplossingen

Het volledige rapport is hier te downloaden.

 Wat is de juiste aanpak?

Slechts 12 procent van de Syriërs hebben betaald werk. Ze werken in lagere functies en vaak in tijdelijk dienstverband. Negentig procent van de Syriërs, die tussen 1 januari 2014 en 1 juli 2016 een status hebben gekregen, zijn afhankelijk van een bijstandsuitkering, concludeert het SCP in een recente rapportage. Veelzeggende cijfers en dat ondanks het besef dat vluchtelingen zo snel mogelijk aan de slag moeten in gemeenteland wel doorgedrongen is.

Maar wat is de juiste aanpak? Wat werkt wel en wat niet? Uit recent onderzoek van KIS blijkt ook dat vluchtelingenvrouwen achter dreigen te blijven op de arbeidsmarkt. Uit de nieuwe KIS-handreiking 'Werkend leren als opstap naar werk voor vluchtelingen' blijkt dat een goede begeleiding op de werkvloer, zeker ook bij vrijwilligerswerk en stages, cruciaal is.

Anderen bekeken ook

Jouw bijdrage