Ik groeide op in een rijtjeshuis in een jarenzeventigbuurt. Als klein kind speelde ik op het pleintje, en ik kende er bijna iedereen. Tijdens mijn studie woonde ik vier jaar lang in een studentenhuis met elf meiden. Qua woonconcept zou je het nu een woongroep noemen. De deuren stonden open, we zaten bij elkaar op de kamers, we leefden, studeerden en feestten samen. We hadden geen woonkamer, of keuken, maar we ontmoetten elkaar op de grote gang. Wij kenden de buren.

Mijn koopwoningenbuurt anno 2021

Nu woon ik in de stad, al zouden sommigen zeggen dat ik ‘dorps’ woon in een stedelijke omgeving. We kennen namelijk iedereen uit de straat (ruim 40 huishoudens). Niet dat je bij iedereen de deur plat loopt, maar we zijn er voor elkaar.

We hebben een groepsapp, waar elke dag apps in staan over het lenen van spullen, hulpvragen, of een uitnodiging om met iets mee te doen. Regelmatig neemt iemand het initiatief tot een prettige gezamenlijk activiteit, van het leggen van sedumdaken tot een wijnproeverij. En ja, we hebben een buurtfeest en een gezamenlijke schoonmaakdag.

Het is niet alleen maar een walhalla. Soms is het een dynamisch buurtje. Toen het te onveilig in de buurt voelde, spraken we erover en ging een delegatie naar het wijkbureau. We hadden goed contact met de politie. Iemand organiseerde een calamiteitenapp. Toen er spullen werden gestolen uit de achtertuinen organiseerden we een ‘sluitdienst’ van de poortdeuren. Nog steeds controleert iemand uit de straat of de deur dicht is.

Mijn socialehuurbuurt anno 2021

Stel dat ik in een sociale huurwoning in eenzelfde kwetsbare wijk zou wonen. Hoe woonde ik dan? Misschien wel zo:  

Ik woon in een portiekflat, samen met 29 andere huishoudens. Toen ik hier kwam wonen vroeg ik me allereerst af: hoe leer ik mijn medebewoners kennen? Ik maakte kennis met de buren en daar stopte het. In deze flat is geen groepsapp (waar je als nieuwe huurder in wordt opgenomen), geen buurtfeest, of een gezamenlijke ruimte. Ontmoeting tussen bewoners vindt nauwelijks plaats en als het plaatsvindt, is het in een krappe entree.

Hierdoor duurde het lang voordat ik de mooie verhalen kende die er wel zijn. Bijvoorbeeld dat mijn onderbuurman zijn buurjongen huiswerkbegeleiding geeft.

Wat ik lastig vind is dat ik - voor mijn gevoel - de enige ben die de woningcorporatie belt dat de portiekdeur weer kapot is. Ik begrijp van mijn buren dat ze het hebben opgegeven. Zij kijken meer naar 'waar je echt last van hebt’. Zij hebben ook geen last van het dealen op de hoek; ik wel. Sterker: volgens mij wordt er gedeald in de flat.

De diversiteit in de flat heeft mij veel gebracht, maar ik vind het ook lastig

Ik wandel regelmatig met mijn buurvrouw en geniet daarvan. De diversiteit in de flat heeft mij veel gebracht, maar ik vind het ook lastig. De mensen zijn zo divers dat een verbinding niet vanzelf ontstaat. Je komt elkaar niet makkelijk tegen. Laatst was er ergens een langdurige ruzie in het portiek naast mij. Je hoort niet van welke verdieping het komt, ik ken ze waarschijnlijk niet. Dan ga ik er toch niet in mijn uppie tussen springen? Toch hoor je het. Op zo’n moment wil ik wel verhuizen.

Maar binnen ons netwerk kijken we naar elkaar om. Een voorbeeld: mijn buurvrouw belde laatst naar de woningbouwcorporatie om te zeggen dat ze zich zorgen maakt over haar buurman. Ze weet dat hij ‘zorg aan huis’ heeft, maar ze weet niet van wie en de buurman doet voor haar niet open.

Gesprek met mijn woningcorporatie

Gisteren sprak ik een medewerker van mijn woningcorporatie. Dat deed me goed. Ik ben blij dat ik weet dat mijn woningcorporatie aandacht heeft voor het ontmoeten van mensen in een flat. Ze kunnen het niet afdwingen, maar begrijpen dat het een randvoorwaarde voor prettig samenleven is en zoeken naar manieren hiervoor.  

We spraken over ‘zwakkere instroom’ en ‘bijzondere doelgroepen’. Toen werd ik een beetje geïrriteerd. Dat mag kloppen, maar pas op met te veel labelen, zei ik. De onderlinge hulp zit vaak juist in de verrassende hoek.

Daarnaast spraken we over de grote diversiteit in ons woongebouw die veel energie geeft, maar prettig samenleven soms wel lastig maakt. Ik was wat sceptisch over de toewijzing van nieuwe huurders die gemotiveerd zijn om een rol in de leefbaarheid van de flat te pakken. Toch, de portiekdeur is vaker dicht. Het lijkt wel of iedereen nu meer meldt. Recent is - mede hierdoor - een huurder die dealde ontruimd.

We wonen steeds prettiger samen, net als in mijn koopbuurtje

Ook hadden we een boeiend gesprek over het feit dat de corporatie niet verantwoordelijk is voor zorg en welzijn, hulpverlening, psychiatrie, enzovoort. Maar mijn buurman en ik delen wel een dak, dat maakt het persoonlijk. Met de corporatie heb ik makkelijk contact, maar de hulpverlener ken ik niet. De corporatie is bereid deze rol te pakken. 

Op het einde van ons gesprek kwam een collega vanuit de GGZ bij ons staan. Ze hadden een afspraak voor de aanpak ‘sociaal renoveren’. De huurders van het te renoveren complex naast ons krijgen - naast een nieuwe woning - ook hulp aangeboden.

Laatst, op een mooie dag, hebben we een partytent voor de flat gezet. Meerdere mensen hebben behoefte aan een beetje meer samenhang. Het aantal deelnemers op de groepsapp neemt toe. We wonen steeds prettiger samen. Net als in mijn koopbuurtje.

Serie: De vele gezichten van segregatie in de wijk

Deze blog is de tweede in een serie: de vele gezichten van segregatie in de wijk. Met deze maandelijkse serie willen we aandacht vragen voor het onderwerp segregatie, omdat segregatie binnen de samenleving lijkt toe te nemen, bijvoorbeeld in wijken waar mensen langs elkaar heen leven. In elke aflevering komt een ander aspect van segregatie aan bod.

 

Anderen bekeken ook