De laatste jaren wordt er in de publieke ruimte en op sociale media steeds vaker openlijk negatief gesproken over mensen met een migratieachtergrond en/of mensen van kleur. Denk bijvoorbeeld aan politici die roepen om ‘minder Marokkanen’, de racistische ‘memes’ die rondgaan op sociale media of in whatsappgroepen, aan gezinnen die de wijk uit worden gepest vanwege hun afkomst, of vrouwen met een hoofddoek die worden uitgescholden op straat. In 2020 deed KIS onderzoek naar dit type ‘openlijk en onomwonden racisme’, zoals dat wetenschappelijk wordt genoemd. Naast KIS hebben vele anderen ook relevante kennis en ervaringen over dit thema. Daarom heeft KIS een aantal leerkringen georganiseerd. Daarbij ging het enerzijds om experts die anti-racisme- en anti-discriminatie-methoden en/of interventies ontwikkelen en anderzijds om beleidsmakers die zich richten op de aanpak van racisme in hun gemeente. In dit artikel lees je de belangrijkste tips die naar voren kwamen tijdens de sessies.

Racisme is een wereldwijd probleem en komt voor onder verschillende bevolkingsgroepen. In de sessies die we hebben gehouden, hebben we met name ingezoomd op openlijk racisme in de Nederlandse samenleving door mensen zonder migratieachtergrond, ook wel witte mensen genoemd. Hieronder volgen een aantal tips om dit type racisme aan te pakken.

Tips voor en door beleidsmakers van gemeenten

De beleidsmatige aanpak van discriminatie is een taak die grotendeels belegd is bij gemeenten. In de handreiking lokaal antidiscriminatiebeleid wordt beschreven hoe gemeenten deze taak vorm kunnen geven. Voor de aanpak van openlijk racisme zijn er een aantal specifieke aandachtspunten, aldus beleidsmakers die we hebben gesproken:

  1. Wees niet bang om een statement te maken. Als er openlijk racisme gesignaleerd wordt binnen de eigen gemeente, is het aan te raden om dit heel duidelijk en openlijk te veroordelen. Dit zorgt ervoor dat er geen mistverstanden kunnen ontstaan over het standpunt van de gemeente én het stelt een sociale norm: het laat zien dat racisme niet door de beugel kan. Hierbij is aan te raden om de strafbaarheid van discriminatie te benadrukken: discriminatie staat in het wetboek van strafrecht en is net als bijvoorbeeld diefstal een strafbaar feit, daarom niet iets waar de gemeente burgers de ruimte voor wil geven om van mening over te verschillen.
  2. Zorg voor goed contact met mensen uit verschillende gediscrimineerde groepen. Signaleer je als gemeente dat er bijvoorbeeld anti-Aziatisch racisme speelt in de gemeente? Nodig dan de mensen die daar het slachtoffer van worden uit om mee te praten over de aanpak van dit probleem. Idealiter is er zelfs al eerder contact met verschillende culturele, etnische en religieuze groepen binnen de gemeente: zo kan de gemeente namelijk ook tijdig signalen opvangen.
  3. Gebruik wat-werkt kennis. Na een inventarisatie met de doelgroep zelf die slachtoffer wordt van racisme over wat er aan de hand is (check dit artikel met tips over hoe je intersectioneel een analyse maakt van het probleem), is het raadzaam om na te gaan welke aanpakken kunnen werken om het probleem op te lossen. In dit KIS-onderzoek staat een overzicht. Hierbij is aandachtspunt dat het moeilijk kan zijn om de doelgroep (mensen die zich openlijk racistisch gedragen) te bereiken. Zeker als het gaat om ‘ontmoeting’ (een effectief middel tegen discriminatie) kan dit een knelpunt zijn. Het samenkomen kun je daarom organiseren op de plekken waar mensen elkaar al ontmoeten: sport en onderwijs. In dit KIS-artikel lees je meer tips hierover.

Goed voorbeeld: Blue Eyes Brown Eyes

In 1968 verraste de Amerikaanse lerares Jane Elliott de wereld met een even ingrijpend als spraakmakend sociaal experiment. Wat gebeurt er als je een klas verdeelt in bruinogige machthebbers en een blauwogige minderheid? Gaan de als ‘inferieur’ en ‘superieur’ bestempelde leerlingen zich ook zo voelen en gedragen? Wat zijn de gevolgen als je individuen niet beoordeelt op basis van hun gedrag en inzet maar op basis van een willekeurig aangeboren of toegewezen kenmerk? Wat voor effect hebben vooroordelen en irrationele privileges?

Anno 2019 heeft het Brown Eyes Blue Eyes experiment nog niets aan relevantie ingeboet. Şeydâ – in 1996 door Jane Elliott zelf opgeleid en gecertificeerd – verzorgde honderden succesvolle Brown Eyes Blue Eyes trainingen in binnen- en buitenland. Ze liet directies, besturen en medewerkers van bedrijven, gemeenten, zorg- en maatschappelijke instellingen zelf het verschil ervaren.

Een korte variant van de interventie wordt ook gegeven op scholen onder de naam ‘de filmworkshop’. In de Brown Eyes Blue Eyes (BEBE) Filmworkshop kijken deelnemers naar de film Het Grote Racisme Experiment. Hierin zijn fragmenten te zien uit de originele BEBE-training. In deze training krijgen bruinogigen een voorkeursbehandeling en worden ze behandeld als machthebbers, terwijl blauwogigen als de minderheidsgroep worden behandeld. Door middel van ervaringsleren, wisseling van perspectief en confrontatie worden deelnemers zich bewust van de mechanismen die discriminatie in stand houden en hun eigen rol daarin. Lees hier meer over de workshop.

Tips voor de ontwikkelaars van methoden en/of interventies gericht op het tegengaan van openlijk racisme

In buurten en wijken, op scholen en in bedrijven; op veel plekken worden al interventies en methodieken ingezet om racisme tegen te gaan. In dit stappenplan staan tips beschreven voor de ontwikkelaars van interventies en methoden om racisme tegen te gaan. De volgende tips zijn specifiek voor het tegengaan van openlijk racisme.

  1. Bekijk waar het mogelijk is om iemand uit de eigen omgeving in te zetten. Vooral iemand uit de eigen omgeving kan bijdragen aan verandering van gedrag/denkpatronen, omdat deze er voor de desbetreffende persoon toe doet. Dus als Hans een bekende figuur is in een buurt waar veel racisme is onder bijvoorbeeld met name witte mensen ten aanzien van mensen die asiel zoeken en recent in de wijk zijn komen wonen, dan kan Hans een verschil maken onder deze witte mensen in deze buurt. Dat kan hij doen door zich uit te spreken tegen racisme en door het goede voorbeeld te geven. Als Hans bijvoorbeeld met de nieuwe buurman uit Syrië gaat werken aan een nieuwe voortuin, dan wordt de drempel kleiner voor de andere witte bewoners om ook contact te maken met de nieuwe Syrische buurman. En dat contact kan weer werken om vooroordelen te verminderen. Dit heet ook ‘vicarious contact’ en is beschreven in deze KIS-publicatie. Tip voor interventie-ontwikkelaars is dus om mensen te vinden zoals ‘Hans’. Dat betekent dat je niet alleen samenwerkt met de doelgroep die het racisme ervaart maar ook mensen die zich begeven in de groep met plegers. Dat kan bijvoorbeeld ook op een school; jongeren die zich begeven in openlijk racistische kringen maar die het hier eigenlijk niet mee eens zijn, kunnen zich leren uitspreken hiertegen, bijvoorbeeld door middel van trainingen.
  2. Zorg voor echte ontmoetingen. Niet alleen uit de literatuur maar ook uit de ervaringen van de ontwikkelaars blijkt dat ontmoeting vaak goed werkt om vooroordelen te verminderen. Het kan hierbij helpen om niet te kiezen voor een dialoog (dat spreekt niet iedereen aan) maar voor een activiteit waarbij mensen van verschillende afkomst samen iets gaan ondernemen, zoals het buurthuis opknappen of samen iets doen voor een goed doel.
  3. Zet theater in. Theater is volgens verschillende experts en verschillende wetenschappelijke studies een effectieve manier om vooroordelen te verminderen: want wanneer iemand zich inleeft in iemand uit een gediscrimineerde groep kunnen vooroordelen verminderd worden (zie dit filmpje en dit wat werkt dossier voor de geraadpleegde studies). Zeker als de hoofdpersoon onrechtvaardige situaties meemaakt. Dit soort verhalen kunnen ook gedeeld worden via film of via een spreker in de klas. Het voordeel van theater is dat kijkers vaak geboeid zitten te kijken te luisteren. Kijkers hebben niet het idee dat hen wat wordt geleerd maar eerder het idee dat ze worden vermaakt. Hierdoor staan ze vaak meer open voor de boodschap (zie ook dit Movisie-artikel).
  4. Organiseer activiteiten niet onder de vlag van ‘vooroordelen verminderen’. Als mensen weten dat de bedoeling is dat hun vooroordelen verminderd worden, dan ‘wapenen’ zij zich hier tegen. Dat geldt zowel voor ontmoetingen als bij bijvoorbeeld een theaterstuk. Bijvoorbeeld: in de evaluatie van een theaterstuk over LHBT+ personen, viel op dat de jongeren die naar het theaterstuk gingen kijken veel minder openstonden voor de boodschap van het stuk en minder aandachtig keken wanneer zij wisten dat het stuk over LHBT+ personen ging. Het is dus aan te raden om bij een theaterstuk, film of ontmoeting er niet bij te zeggen dat het over racisme gaat maar deze onder een andere noemer aan te kondigen, zodat deelnemers hier open en geïnteresseerd in gaan.
  5. Probeer ook organisaties te veranderen. Racisme is naast een individuele aangelegenheid ook een collectief probleem: mensen die zich openlijk racistisch uitlaten doen dat onder meer omdat zij denken dat dit ‘normaal’ is en ‘dat iedereen dat doet’. Inzetten op veranderingen in organisaties is daarom belangrijk. Daarom zijn in een organisatie duidelijke sociale normen nodig tegen racisme en discriminatie. In het KIS-rapport over de aanpak van institutioneel racisme wordt beschreven hoe je dit kan aanpakken. Alle aanwezige experts benadrukten dat het goed is om hierbij het wettelijk kader (Artikel 1 uit de Grondwet) te noemen en te refereren aan doelstellingen van organisaties. Als organisaties echt inclusief willen zijn, moeten zij dus ook kijken naar hoe de processen binnen de eigen organisatie op dusdanige wijze ingericht worden dat racisme wordt voorkomen.
  6. Zet in op het mobiliseren van omstanders. Omdat bij de aanpak van racisme cruciaal is dat de omgeving (en niet alleen individuen) veranderen, is het raadzaam om omstanders te leren hoe je reageert op openlijk racisme. Een voorbeeld hiervan zien we in de gemeente Amsterdam die een campagne hiervoor heeft opgezet. Maar je kunt ook denken aan trainingen op bijvoorbeeld de werkvloer waarin medewerkers leren wat ze precies kunnen zeggen als ze zien dat iemand openlijk racistisch bejegend wordt. De aanwezige experts benadrukten dat het handig kan zijn om dan een aantal standaardzinnen paraat te hebben, zoals ‘wij tolereren hier geen racistische uitspraken’. Je kunt mensen ook leren om plegers van openlijk racisme duidelijk te begrenzen en uit te nodigen: dit houdt in dat je de dader aanspreekt op het racistische gedrag, maar ook de dader uitnodigt tot reflectie in plaats van defensief reageren of afhaken. Onder meer Stichting School & Veiligheid past dit toe. Een persoonlijke benadering, dus 1-op-1 aanspreken, en niet in een hele groep, werkt volgens de aanwezige experts vaak het beste.

Goed voorbeeld: Gelijk = Gelijk

In het prijswinnende lesprogramma Gelijk=Gelijk? maken drie ‘peer educators’ die zich allen op een verschillende manier identificeren, taboes bespreekbaar in het primair en voortgezet onderwijs. Zij delen hun persoonlijke ervaring met discriminatie of uitsluiting vanuit bijvoorbeeld een Joods, islamitisch of LHBTIQ+ perspectief. Hiermee houden zij de leerlingen een spiegel voor als het gaat om religieuze, culturele en seksuele diversiteit. In de tweede les onthullen de peer educators hun eigen achtergrond aan de klas. Ze vertellen dan ook hun ervaringsverhaal. KIS observeerde eerder bij de uitvoering op een middelbare school en zag hoe leerlingen die zich eerder openlijk discriminerend uitlieten, daarna aandachtig luisterden naar een peer educator uit de betreffende gediscrimineerde groep. Gelijk= Gelijk gaat ook uitgevoerd worden bij sportclubs.

Casus: Meisjes met hoofddoek worden uitgescholden in de buurt en op school

Stel, een meisje met een hoofdoek wordt uitgescholden in de buurt en op school vanwege haar hoofddoek. Als gemeente wil je daar wat aan doen. Wat kun je dan doen? De experts die aanwezig waren, gaven de volgende tips:

  • Als eerste met de meisjes en samen met de ouders in gesprek gaan en goed naar hen luisteren. Bij hen nagaan: wat gebeurt er? Wie doet het? Welke stappen zijn er ondernomen? En welke oplossingen zien de gedupeerden zelf? Willen ze eventueel ook aangifte bij de politie doen? (discriminatie is namelijk strafbaar) Of een melding doen bij een antidiscriminatiebureau? Aandachtspunt is dat de gedupeerden niet het idee krijgen dat het hun probleem is en dat ze het zelf moeten oplossen, maar dat ze wel de ruimte krijgen om hun ideeën hierover aan te geven.
  • Vervolgens is het zaak om in gesprek te gaan met de school over hun aanpak van discriminatie, racisme en pesten. Hebben ze protocollen? Worden die wel goed nageleefd? De gemeente kan bij scholen benadrukken dat het belangrijk is om deze na te leven.
  • Ook belangrijk is om na te gaan of dit een incident is of een patroon; dit kun je bijvoorbeeld doen door meer meisjes die een hoofddoek dragen (bijvoorbeeld via de moskee) te vragen naar hun ervaringen met openlijk racisme. Ook kan dit door in gesprek te gaan met het lokale antidiscriminatiebureau om na te gaan of dat hierover meer meldingen heeft ontvangen.
  • Als duidelijk is wie de plegers zijn, dan kan er na worden gegaan hoe deze doelgroep bereikt kan worden. Zitten ze op school? Dan is het raadzaam voor de hele school om een interventie in te zetten gericht op het verminderen van moslimdiscriminatie, bijvoorbeeld in de vorm van een theaterstuk over het thema of peer educators die hier uitleg over geven. Een ander idee is een interventie waarin iemand die niet moslim is en iemand die zelf moslim is samen voorlichting geven, zoals in de methode Gelijk = Gelijk van Diversion.
  • Aandachtspunt is dat de aanpak die wordt gekozen niet belastend is voor de gedupeerden; hen bijvoorbeeld vragen om hun verhaal te doen, betekent dat zij weer opnieuw stil moeten staan bij de pijn van de ervaring. Logischer is om te kiezen voor professionals of vrijwilligers die er echt hun werk van hebben gemaakt om hun ervaringen te delen met discriminatie of racisme.
  • Overwogen kan worden om de slachtoffers een cursus aan te bieden over hoe om te gaan met racistische of gewelddadige reacties (bijvoorbeeld een zelfverdedigingscursus). Aandachtspunt hierbij is dat moet worden vermeden dat het lijkt alsof zij niet ‘weerbaar’ genoeg zouden zijn. Te allen tijde moet duidelijk zijn dat de plegers de schuldigen zijn en niet het slachtoffer.

Extra tips uit eerder KIS onderzoek

Eerder KIS-onderzoek leverde nog een aantal tips op, aanvullend op wat er in de sessies is uitgewisseld.

  1. Stel duidelijke sociale normen. Mensen die openlijk discrimineren denken vaak dat anderen om hen heen dat ook doen. In andere woorden, ze denken dat het ‘normaal’ is. Belangrijk is daarom om duidelijk te maken dat discriminatie en racisme niet door de beugel kunnen. Beschrijf hierbij duidelijk wat bedoeld wordt met discriminatie en racisme zodat er geen misverstand kan ontstaan over wat wel en niet kan. Sociale normen kunnen het beste worden gesteld door mensen met enig gezag of status. Op scholen zijn dat bijvoorbeeld populaire leerlingen en docenten, in een buurt zijn dat actieve wijkbewoners met een groot netwerk en buurt-of opbouwwerkers, in bedrijven zijn dat leidinggevenden en op sociale media zijn dat bijvoorbeeld populaire vloggers. In een gemeente kan het bijvoorbeeld gaan om de burgemeester maar ook een BN’er uit de gemeente; ook die heeft vaak een voorbeeldfunctie en kan vanuit die hoedanigheid sociale normen stellen.
  2. Denk aan de inclusieve identiteit. Een gedeelde identiteit kan ervoor zorgen dat mensen zich meer verbonden voelen en zich minder openlijk racistisch uitlaten. Het kan daarom helpen als een opbouwwerker de mensen in de buurt, docent in de klas of leidinggevende in een bedrijf aanspreekt op wat de mensen onderling bindt. Door de bewoners als wijkbewoners en als een gemeenschappelijke groep te benoemen, gaan mensen zich ook vaak meer als een groep gedragen. Een sterke gemeenschappelijke identiteit uitdragen (in het bijzonder wanneer die identiteit benadrukt dat een waarde van de groep is dat we tolerant met elkaar willen omgaan), kan openlijk racisme in enige mate voorkomen.
  3. Vergeet sociale media niet. Openlijk racisme is veel te zien op sociale media. Als bijvoorbeeld docent van een schoolklas, jongerenwerker in een buurt of leidinggevende in een bedrijf is het daarom raadzaam om enigszins te volgen wat de leerlingen, buurtbewoners of medewerkers online uitwisselen en om in te grijpen wanneer je hier racisme ziet. Dit ingrijpen kan door de betreffende persoon persoonlijk aan te spreken. Daarnaast is het raadzaam om te delen met de hele groep waarom bepaalde opmerkingen op sociale media niet door de beugel kunnen. Op deze manier stel je een duidelijke sociale norm. Mensen kunnen zich ook aansluiten bij de campagne #datmeenjeniet.

 

Met dank aan Serena Does

Anderen bekeken ook